ECLI:NL:CRVB:2012:BX6973

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-785 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en recht op ziekengeld na verkeersongeval

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 5 september 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep over de arbeidsongeschiktheid van appellant, die zich ziek had gemeld na een verkeersongeval. Appellant, werkzaam als afwasser, meldde zich ziek met klachten aan zijn linker knie en arm, alsook hoofdpijn en duizeligheid. De verzekeringsarts heeft appellant na onderzoek weer geschikt geacht voor zijn werkzaamheden, wat leidde tot een besluit van het Uwv dat appellant geen recht meer had op ziekengeld per 7 maart 2011. Dit besluit werd door de bezwaarverzekeringsarts bevestigd, die concludeerde dat er geen duidelijke diagnose kon worden gesteld voor de klachten van appellant.

Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij nog steeds arbeidsongeschikt was door ernstige duizeligheid als gevolg van het auto-ongeluk. Hij verzocht om een deskundigenonderzoek, maar de Raad oordeelde dat het eerdere onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd. De bezwaarverzekeringsarts had rekening gehouden met informatie van de huisarts en KNO-arts, maar vond geen reden om de eerdere beslissing te herzien. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de oordelen van de verzekeringsartsen en dat het hoger beroep van appellant niet slaagde. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig medisch onderzoek en de noodzaak van objectieve vaststelling van arbeidsongeschiktheid in het kader van het recht op ziekengeld.

Uitspraak

12/785 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2012, 11/1143 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 september 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Appellant is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Wel is verschenen mr. Oudenhoven. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was van 1 juni 2010 tot 30 november 2010 werkzaam als afwasser voor 18 tot 24 uur per week. Appellant heeft zich op 11 november 2010 met terugwerkende kracht tot 13 oktober 2010 ziek gemeld in verband met klachten van zijn linker knie en arm als gevolg van een verkeersongeval in [M. ]. Daarbij heeft hij ook last van hoofdpijn en duizeligheid. Appellant is in dat verband op 28 februari 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest die appellant - na telefonisch contact met de huisarts E. Cremers van appellant op 4 maart 2011 - weer geschikt heeft geacht voor zijn arbeid.
1.2. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 7 maart 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 19 april 2011 - bij besluit van
21 april 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding gezien voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen, dat gebaseerd is op een voldoende zorgvuldig en volledig onderzoek, te weten het eigen onderzoek en informatie verkregen van de huisarts. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat ten aanzien van de klachten van appellant telkens geen duidelijke diagnose kon worden gesteld en dat het onderzoek door de huisarts - waarbij is gebleken dat bij röntgen- en echo-onderzoek bij appellant geen bijzonderheden waren gevonden - deze bevindingen hebben bevestigd.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf 7 maart 2011 vanwege ernstige duizeligheid als gevolg van het auto-ongeluk in oktober 2010 nog steeds arbeidsongeschikt te achten is. Onduidelijk is waarom het Uwv hem vanaf 7 maart 2011 weer arbeidsgeschikt acht. Appellant verzoekt - onder overlegging van medische informatie van de behandelend KNO-arts D. Elprana en zijn huisarts Cremers - om een onderzoek door een deskundige.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van afwasser voor 18 tot 24 uur per week.
4.2. Er bestaat geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en lichamelijk onderzocht en er is rekening gehouden met informatie van de huisarts van appellant. Hieruit is naar voren gekomen dat er sprake is van spierspanningsgerelateerde klachten en dat evident neurologisch pathologische of andere oorzakelijke bevindingen niet kunnen worden vastgesteld. Wat betreft de in hoger beroep overgelegde informatie van KNO-arts Elprana en huisarts Cremers heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 6 juli 2012 aangegeven dat door hen over de duizeligheid als zodanig geen specifieke diagnose is gesteld en dat appellant uitgebreid is onderzocht op onderliggende pathologie, maar dat er geen duidelijke oorzaak is gevonden voor de duizeligheidsklachten. De bezwaarverzekeringsarts ziet in deze informatie geen reden tot wijziging van de eerdere beslissing dat appellant per 7 maart 2011, na een voldoende lange herstelperiode van circa vijf maanden, weer geschikt is bevonden voor zijn maatgevende werkzaamheden, die als relatief licht ingeschat kunnen worden. Er is geen aanleiding dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven. Een onderzoek door een deskundige wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) D. Heeremans