ECLI:NL:CRVB:2012:BX7597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onjuiste beoordeling gezamenlijke huishouding en vermogen
Appellant ontving vanaf 1996 bijstand, maar het college trok deze in vanwege vermoedens van overschrijding van de vermogensgrens, mede door onroerend goed van zijn ex-echtgenote in Marokko en een auto op zijn naam.
De Raad oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant beschikte over het onroerend goed van zijn ex-echtgenote, dat volgens Nederlands recht sinds 1993 gescheiden zijn, en dat het college ten onrechte het criterium van duurzaam gescheiden leven hanteerde in plaats van gezamenlijke huishouding.
Wel is vastgesteld dat appellant gedurende bepaalde periodes beschikte over een Mercedes die als vermogen moet worden meegeteld. De Raad vernietigt het besluit voor de intrekking van bijstand over perioden waarin onvoldoende bewijs was en herroept het besluit gedeeltelijk. Het college moet een nieuw besluit nemen over de terugvordering van kosten.
Tot slot veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en bepaalt vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen over terugvordering van bijstandskosten.