ECLI:NL:CRVB:2012:BX7668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op Ziektewet wegens geschiktheid voor arbeid ondanks hartklachten
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met hart- en psychische klachten. Het UWV stelde op 5 april 2011 vast dat zij per 4 april 2011 niet langer recht had op Ziektewetuitkering omdat zij geschikt werd geacht voor arbeid. Appellante maakte bezwaar en bracht medische gegevens in, waaronder een brief van haar cardioloog en een besluit van de gemeente waarin zij ontheffing van de inburgeringsplicht kreeg op medische gronden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en er geen aanleiding was om aan de beoordeling te twijfelen. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had verricht. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts concludeerden dat er geen sprake was van ernstige hartproblematiek die haar arbeidsgeschiktheid zou beperken. De medische gegevens wezen niet op zwaardere beperkingen op de datum in geding. De ontheffing van de inburgeringsplicht op medische gronden was niet relevant voor de arbeidsgeschiktheid.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en het vonnis van de rechtbank dat het recht op Ziektewetuitkering per 4 april 2011 is beëindigd. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het recht op Ziektewetuitkering van appellante is per 4 april 2011 terecht beëindigd wegens geschiktheid voor arbeid.