ECLI:NL:CRVB:2012:BX8620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen wegens ontbreken bewijs verblijf of werk in Nederland
Appellant, geboren in 1932, verzocht om een AOW-pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en stelde dat hij in 1971 en 1972 werkzaam was geweest bij een wasserij in Nederland. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde het pensioen omdat uit onderzoek niet bleek dat appellant in Nederland had gewoond of gewerkt.
De Svb handhaafde dit besluit na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant overlegde geen bewijs van verblijf of werk, slechts een briefhoofd van de wasserij, wat onvoldoende was. De Svb deed navraag bij pensioenfondsen en de gemeente Rotterdam, waar appellant niet bekend was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de weigering van het AOW-pensioen. Er was geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 28 september 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het AOW-pensioen wordt bevestigd.