ECLI:NL:CRVB:2012:BX8882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing nieuwe aanvraag
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. Na een onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat zij met M. een gezamenlijke huishouding voerde, wat leidde tot intrekking van de bijstand per 1 september 2008. Het college wees een nieuwe aanvraag om bijstand af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking en dat appellante onvoldoende had aangetoond dat haar situatie was veranderd, waardoor de afwijzing van de nieuwe aanvraag terecht was. In hoger beroep stelde appellante dat het hof in een strafzaak niet had bewezen dat zij financieel voordeel had van M., en dat er geen sprake was van financiële verstrengeling.
De Raad achtte de onderzoeksbevindingen voldoende om de gezamenlijke huishouding aan te nemen en verwierp het beroep op Salduz-jurisprudentie. Wel stelde de Raad vast dat uit het latere huisbezoek en verklaringen bleek dat M. niet langer hoofdverblijf had bij appellante, waardoor sprake was van gewijzigde omstandigheden.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot afwijzing van de nieuwe aanvraag en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. De intrekking van de bijstand bleef gehandhaafd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd, maar het besluit tot afwijzing van de nieuwe aanvraag wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.