ECLI:NL:CRVB:2012:BX8911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheidsmededeling bestuursorgaan als besluit in Awb en bijdrage Zvw op AOW-pensioen
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de inhouding van de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) op hun AOW-pensioen, stellende dat zij geen bijdrageplichtige verdragsgerechtigden zijn. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) gaf aan niet bevoegd te zijn om de inhouding te staken en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brieven geen besluiten zouden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het niet bevoegd is een besluit te nemen wel als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Hierdoor had het bezwaar ontvankelijk verklaard moeten worden en vernietigt de Raad het eerdere oordeel van de rechtbank en het besluit van de Svb.
In de finale geschilbeslechting stelt de Raad vast dat appellanten als verdragsgerechtigden in de zin van Verordening (EEG) nr. 1408/71 moeten worden aangemerkt, waardoor de Svb gehouden was de bijdrage in te houden en niet bevoegd was een zelfstandig besluit hierover te nemen. Het bezwaar had daarom ongegrond verklaard moeten worden. Het beroep tegen de bankafschriften en specificaties blijft ongegrond omdat deze geen zelfstandige besluiten zijn.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt het standpunt dat de inhouding van de bijdrage Zvw op het AOW-pensioen rechtmatig is.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de inhouding van de bijdrage Zvw op het AOW-pensioen wordt ongegrond verklaard omdat appellanten als bijdrageplichtige verdragsgerechtigden worden aangemerkt.