ECLI:NL:CRVB:2012:BX9422

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4016 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1 ANWArt. 13 ANWArt. 22 Verdrag sociale zekerheidBesluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering op grond van ANW wegens ontbreken verzekeringsstatus echtgenoot

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin haar aanvraag voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) werd afgewezen. De Svb stelde dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet als verzekerde kon worden aangemerkt.

De rechtbank had eerder vastgesteld dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening van het besluit rechtvaardigen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar echtgenoot een uitkering genoot en dat dit duidt op verzekeringsstatus, maar de Svb kon dit niet bevestigen en wees op het vervallen van relevante wettelijke bepalingen per 1 januari 2000.

De Raad oordeelde dat de echtgenoot van appellante ten tijde van overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW, noch vrijwillig verzekerd was, noch verzekerd krachtens Marokkaanse wetgeving. Daarom is geen recht op een Nederlandse nabestaandenuitkering. De persoonlijke omstandigheden van appellante doen hieraan niet af. Het beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de nabestaandenuitkering bevestigd.

Uitspraak

11/4016 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2011, 10/5110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 5 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 27 april 2012 heeft onderzoek plaatsgevonden ter zitting van de Raad. Appellante is daar verschenen bij haar gemachtigde mr. F. Kellouh, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropend en hebben partijen hun standpunt schriftelijk nader uiteengezet.
Op 24 augustus 2012 heeft opnieuw onderzoek plaatsgevonden ter zitting van de Raad. Appellante is daar verschenen bij haar gemachtigde mr. F. Kellouh, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. van de Berg.
OVERWEGINGEN
1.1.Appellante is geboren in [geboortedatum] en woont in [B.]. Haar echtgenoot, [echtgenoot], is geboren in [geboortejaar] en is op [overlijdensdatum] in [B.] overleden. Tot appellantes echtgenoot de leeftijd van 65 jaar bereikte genoot hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en daarna een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft de Svb afwijzend beslist op een verzoek van appellante om haar een uitkering toe te kennen op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Daartoe is overwogen dat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet op grond van nationale dan wel internationale regels als verzekerde voor de ANW kan worden aangemerkt.
1.3. Op 16 juni 2010 heeft appellante de Svb opnieuw verzocht om haar een uitkering op grond van de ANW toe te kennen. Op deze aanvraag heeft de Svb bij besluit van 28 juli 2010 afwijzend beslist onder verwijzing naar zijn besluit van 2 juni 2005. Het bezwaar van appellante hiertegen is bij besluit van 28 september 2010 (besluit op bezwaar) door de Svb ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
3.1. In hoger beroep heeft appellante opnieuw gesteld dat zij aanspraak heeft op een uitkering op grond van de ANW. Daartoe heeft zij in hoofdzaak aangevoerd dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden een uitkering uit Nederland genoot en dat uit dit feit kan worden afgeleid dat hij toen verzekerd was voor de ANW. Verder heeft appellante aangegeven dat zij bereid is om eventueel nog verschuldigde premies te voldoen en heeft zij de Svb gevraagd om aan de hand van een door haar opgegeven BSN-nummer na te gaan of een in Nederland wonende vrouw, die volgens appellante eveneens met haar echtgenoot gehuwd is geweest, een nabestaandenuitkering ontvangt.
3.2. De Svb heeft er in hoger beroep op gewezen dat artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) per 1 januari 2000 is vervallen en dat niet is gebleken dat er na 1 januari 2000 premies zijn betaald voor een vrijwillige verzekering voor de ANW van de echtgenoot van appellante. Verder heeft de Svb aangegeven dat hij de houder van het door appellante opgegeven BSN-nummer in zijn systeem op geen enkele manier in verband heeft kunnen brengen met de echtgenoot van appellante.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 2 juni 2005, waarbij de aanvraag van een uitkering ingevolge de ANW is geweigerd, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.3. De Raad overweegt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak correct heeft vastgesteld dat appellante voorafgaande aan het besluit op bezwaar geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd. Relevant - in het bijzonder met betrekking tot de tijdvakken na de herhaalde aanvraag - is slechts of appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden verzekerd was ingevolge de ANW. Artikel 1 van Pro de ANW stelt als voorwaarde voor een uitkering op grond van deze wet dat de overledene verzekerd is ten tijde van zijn overlijden. Ingevolge artikel 13 van Pro de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is en ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden op [overlijdensdatum] in [B.] woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij niet meer verzekerd op grond van deze bepaling. Mogelijk is de echtgenoot van appellante vanaf zijn vertrek uit Nederland tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd gebleven voor de ANW op grond van de sinds zijn remigratie geldende Besluiten inzak de uitbreiding en beperking van de kring der verzekerden krachtens de volksverzekeringen. In dat geval is deze verplichte verzekering echter beëindigd per 1 januari 2000, omdat met ingang van die datum artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) is vervallen. Nu niet gebleken is dat de echtgenote van appellante ten tijde van zijn overlijden voor de ANW vrijwillig verzekerd was of moet worden geacht kan op grond van de beschikbare gegevens dus niet anders worden geconcludeerd dan dat appellante krachtens die wet geen aanspraak heeft op een Nederlandse nabestaandenuitkering. Verder is niet nader gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving. Daarom ontleent appellante ook aan artikel 22 van Pro het van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk [B.] geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering.
5. De persoonlijke omstandigheden van appellante kunnen aan het voorgaande niets afdoen. Dit betekent dat het hoger beroep van appelante faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2012.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) G.J. van Gendt
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.