ECLI:NL:CRVB:2012:BX9972

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1240 WWB + 11/1241 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid reiskostenvergoeding in WWB-zaak

Appellanten maakten bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), met name over een reiskostenvergoeding voor het vervoer van en naar de kinderopvang.

De rechtbank Amsterdam stelde vast dat tijdens de zitting bleek dat de aanvraag voor de reiskostenvergoeding niet aan de orde was en verklaarde het beroep gegrond voor zover het bezwaar tegen de hoogte van de bijzondere bijstand niet-ontvankelijk was verklaard. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelden dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing had genomen over de reiskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat uit het proces-verbaal bleek dat de gemachtigde van appellanten had verklaard dat de reiskosten niets met de zaak te maken hadden. De Raad zag geen reden om aan te nemen dat deze verklaring onjuist was en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanvraag voor reiskostenvergoeding niet aan de orde is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

11/1240 WWB, 11/1241 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2011, 10/4017 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 9 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het college ten aanzien van appellanten een besluit genomen met toepassing van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand.
1.2. Tegen het besluit van 19 februari 2010 hebben appellanten bezwaar gemaakt. Zij hebben aangevoerd, voor zover van belang, dat zij aanspraak maken op reiskostenvergoeding voor het vervoer van en naar de locatie waar hun kind wordt opgevangen.
1.3. Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2010 deels gegrond, deels niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft onder meer geoordeeld dat het besluit van 19 februari 2010 niet gaat over reiskostenvergoeding voor vervoer van en naar de locatie van de kinderopvang.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat de aanvraag met betrekking tot een reiskostenvergoeding in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen de hoogte van de bijzondere bijstand niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de reiskostenvergoeding
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft de zaak op 23 december 2010 ter zitting behandeld. In het proces-verbaal van de zitting is vermeld dat gemachtigde van appellanten desgevraagd heeft verklaard dat de reiskosten niets met deze zaak te maken hebben. De Raad ziet geen aanleiding dat de verklaring van de gemachtigde van appellanten in het proces-verbaal niet juist is weergegeven. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat de aanvraag met betrekking tot een reiskostenvergoeding in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de reiskostenvergoeding treft dan ook geen doel.
4.2. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2012.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) J.T.P. Pot
HD