ECLI:NL:CRVB:2012:BY0073

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4774 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV om herziening van het besluit tot beëindiging van haar Ziektewetuitkering per 30 juli 2007, met als argument dat zij leed aan de ziekte van Pfeiffer, vastgesteld via orthomoleculair onderzoek. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische gegevens niet als nieuw feit konden worden beschouwd en het orthomoleculair onderzoek niet strookte met gangbare medische inzichten. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank.

De Raad benadrukte dat voor de Ziektewet niet de diagnose zelf, maar de beperkingen die voortvloeien uit ziekte of gebrek van belang zijn, en appellante bracht geen nieuwe gegevens over die beperkingen in. Daarom is het eerdere besluit rechtens onaantastbaar gebleven en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

10/4774 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 juli 2010, 09/2788 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft M. Tracey hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 juli 2007, dat is gehandhaafd bij besluit van 31 augustus 2007, heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 30 juli 2007. Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.
1.2. Appellante heeft het Uwv bij brief van 6 augustus 2009 verzocht om herziening van het besluit om haar met ingang van 1 oktober (lees: 30 juli) 2007 geen ZW-uitkering meer te verstrekken. Bij dit verzoek heeft appellante uitslagen van bloedonderzoek door het instituut voor orthomoleculaire geneeskunde Valeo Medica overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat een Epstein-Barr virus in grote mate actief aanwezig was en er al die tijd sprake is geweest van de ziekte van Pfeiffer, die de klachten en beperkingen verklaart die al in 2007 bestonden.
1.3. Het Uwv heeft appellantes verzoek bij besluit van 7 september 2009 afgewezen. Dat besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 21 oktober 2009 (bestreden besluit). Het Uwv heeft zich op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij nadere medische informatie en uitslagen van laboratoriumonderzoek overgelegd.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef het standpunt van het Uwv dat de door appellante overgelegde gegevens niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank overwoog daarbij onder meer dat de bezwaarverzekeringsarts de uitslagen van het orthomoleculair onderzoek heeft beoordeeld en daarbij tot de slotsom is gekomen dat die resultaten niet geïnterpreteerd kunnen worden op basis van gangbare medische inzichten, omdat het onderzoek niet overeenkomt met gangbare virusserologie.
4.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald, dat de uitslagen van het orthomoleculair onderzoek nieuw gebleken feiten zijn op grond waarvan het Uwv moet terugkomen op zijn eerdere besluit. Appellante meent dat niet voor haar rekening dient te komen dat de oorzaak van haar vermoeidheid eerst veel later is gevonden, omdat haar niet kan worden tegengeworpen dat haar behandelend artsen en de verzekeringsarts van het Uwv geen nader bloedonderzoek hebben geïnitieerd. Volgens appellante blijkt uit de nadere gegevens dat zij ten gevolge van de infectie zodanig vermoeid was dat zij met ingang van 30 juli 2007 niet in staat was haar arbeid te verrichten.
4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.2. Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen mag, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Daarvan moet uiterlijk in de bezwaarfase het nodige bewijs worden geleverd. Dit betekent dat eerst in beroep overgelegde medische gegevens buiten beschouwing behoren te blijven. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
5.3. Indien het Uwv met gebruikmaking van de bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening, neergelegd in artikel 4:6 van Pro de Awb, het eerder genomen besluit handhaaft beperkt de toetsing door de Raad zich in beginsel tot de vraag of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
5.4. De door appellante bij haar verzoek van 6 augustus 2009 overgelegde informatie van het instituut Valeo Medica is beoordeeld door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. Diens bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 19 oktober 2009, waarvan de conclusie is weergegeven in overweging 3.
5.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat is gebaseerd, dat het Uwv in de medische gegevens van Valeo Medica terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van zijn rechtens onaantastbaar geworden besluit van 30 juli 2007. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de volgens appellante gestelde diagnose van de ziekte van Pfeiffer weliswaar een nieuw gegeven is, maar dat daaraan slechts een ondergeschikte betekenis toekomt, nu voor de ZW niet zozeer de diagnose van belang is, maar de beperkingen die voortvloeien uit een ziekte of een gebrek. Daarover heeft appellante geen nieuwe gegevens ingebracht. De in 2009 gestelde diagnose is dan ook geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
5.6. Voor zover de rechtbank nog is ingegaan op de in de beroepsfase overgelegde laboratoriumgegevens is dit, gezien overweging 5.2, ten overvloede geschied. De Raad ziet geen aanleiding om hierop nader in te gaan.
5.7. Het vorenstaande leidt tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.
6. De Raad ziet geen grond om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) K.E. Haan