ECLI:NL:CRVB:2012:BY0116

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-3944 WAO-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in WAO-zaak wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 oktober 2012 uitspraak gedaan op een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker, A. te B., in het kader van zijn WAO-uitkering. Het verzoek werd ingediend na de beëindiging van de uitkering door het Uwv per 1 augustus 2011, omdat verzoeker zich zou hebben onttrokken aan een door justitie opgelegde straf. Verzoeker stelde dat hij in financiële nood verkeerde en dat het niet ontvangen van zijn uitkering hem onder het bestaansminimum zou brengen. Hij voerde aan dat hij als hartpatiënt afhankelijk was van medische zorg en medicatie, die hij niet meer kon betalen zonder financiële ondersteuning.

De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat verzoeker niet voldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stellingen over de financiële noodsituatie. Er zijn geen stukken in het geding gebracht die zijn claims onderbouwen. Bovendien ontving verzoeker in zijn woonland een uitkering van ongeveer € 400,00 netto per maand en had hij een ziektekostenverzekering afgesloten. Dit leidde de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen sprake was van een spoedeisend belang dat het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening rechtvaardigde.

De voorzieningenrechter heeft ook overwogen dat er geen andere zwaarwegende belangen waren die een snelle beslissing vereisten. De Raad was voornemens om het hoger beroep uiterlijk in het eerste kwartaal van 2013 te behandelen, wat ook bijdroeg aan de beslissing om het verzoek af te wijzen. De uitspraak concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, zonder veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

12/3944 WAO-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[A. te B.] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2012, 12/1358 en 12/1723 (aangevallen uitspraak).
Namens verzoeker heeft mr. J.P.M. Sio, advocaat, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 30 augustus 2012. Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Sio. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.
Bij brief van 3 september 2012 heeft het Uwv een nadere uiteenzetting gegeven van het door hem ingenomen standpunt.
Bij brief van 10 september 2012 is hierop namens verzoeker gereageerd.
Met toestemming van partijen voor afdoening buiten zitting heeft de voorzieningenrechter vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. Aan verzoeker is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van verzoeker per 1 augustus 2011 beëindigd omdat verzoeker zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een door justitie opgelegde straf of maatregel.
1.2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 augustus 2011 en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
1.3. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2011, 11/4533 is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen. Daarbij heeft de voorlopige voorzieningenrechter bepaald dat de WAO-uitkering vanaf 1 augustus 2011 doorloopt tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar.
1.4. Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 3 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De beëindigingdatum van de uikering is daarbij bepaald op 19 maart 2012. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het betreden besluit en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 3 augustus 2011 herroepen en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Het Uwv heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, dat bij de Raad is geregistreerd onder nummer 12/3556 WAO. Gelet op het bepaalde in artikel 19 van de Beroepswet, gelezen in combinatie met onderdeel C van de bijlage bij die wet, onder 1a, wordt de werking van de aangevallen uitspraak opgeschort tot op het hoger beroep is beslist.
3. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt er toe dat het Uwv in afwachting van de definitieve beslissing van de Raad op het door hem ingestelde hoger beroep de uitbetaling van de WAO-uitkering hervat per 19 maart 2012.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat door het niet tot uitbetaling komen van de WAO-uitkering hij onder het bestaansminimum komt en hij niet langer verzekerd is voor zijn ziektekosten. Als hartpatiënt heeft hij behoefte aan medische zorg en medicatie die hij, als hij niet langer geld kan lenen, niet meer kan betalen.
4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat van de zijde van verzoeker in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot zijn financiële noodsituatie. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij in [woonland] van het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) een uitkering van circa € 400,00 netto per maand ontvangt. Voorts heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij een ziektekostenverzekering in [woonland] heeft afgesloten. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat er sprake is van een (financieel) spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert.
4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
4.5. De voorzieningenrechter heeft bij zijn oordeel dat er onvoldoende spoedeisend belang is bij het treffen van een voorziening nog betrokken dat de Raad voornemens is het hoger beroep uiterlijk het eerste kwartaal van 2013 te behandelen.
4.6. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van L.N. Nijhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) L.N. Nijhuis