ECLI:NL:RBNHO:2025:12958

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
HAA 25/4018
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die een VOG voor een chauffeurskaart heeft aangevraagd. De aanvraag is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat verzoeker in de afgelopen vijf jaar in aanraking is gekomen met justitie. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeert. De voorzieningenrechter wijst erop dat het niet hebben van een chauffeurskaart niet automatisch betekent dat verzoeker geen andere inkomsten kan genereren. Verzoeker heeft zijn taxionderneming pas kort geleden gestart en moet kunnen onderbouwen dat zijn onderneming in gevaar is. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang is aangetoond. De uitspraak is gedaan op 30 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4018
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 september 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Dienst Justis, Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker van 25 februari 2025 om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart bij Kiwa Register B.V. in Rijswijk.
1.1.
De staatsecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2025 afgewezen, omdat het risico voor de samenleving te groot is om een VOG te geven. Verzoeker is volgens het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) in de terugkijktermijn van 5 jaar in aanraking gekomen met justitie vanwege strafbare feiten en verzoeker is eerder in aanraking geweest met justitie, omdat (1) hij zich niet aan de verkeersregels heeft gehouden; (2) zijn rijbewijs niet in orde was; en (3) hij zich niet aan de regels heeft gehouden uit het Besluit Personenvervoer 2000. Volgens de staatsecretaris weegt het belang van de samenleving in dit geval zwaarder dan het persoonlijke belang van verzoeker.
1.2.
Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is de staatsecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen op
11 augustus 2025 bij de Rechtbank Amsterdam pro forma beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op 12 september 2025 is het verzoek en het pro forma beroep doorgestuurd naar de onderhavige rechtbank, omdat de Rechtbank Amsterdam niet bevoegd is.
1.3.
De staatsecretaris heeft op 19 september 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatsecretaris.
1.5.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat er beroepsgronden zijn ingediend, maar dat zij constateert dat zij deze gronden heeft ingediend bij de Rechtbank Amsterdam. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker een korte samenvatting van die beroepsgronden gegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed”, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij een financieel geschil is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt zoals faillissement en er geen sprake is van acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat de financiële situatie geen spoedeisend belang oplevert. De beantwoording van de vraag of sprake is van spoedeisend belang komt voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De vraag die moet worden beantwoord is of het belang van verzoeker zo spoedeisend is dat niet kan worden gewacht totdat de staatssecretaris heeft beslist op het bezwaar van verzoeker.
2.1.
De staatsecretaris heeft betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, omdat de acute financiële noodsituatie op geen enkele wijze is onderbouwd.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat er geen spoedeisend belang is. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.1.
Verzoeker stelt dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie en dat zijn onderneming failliet zal gaan. Daarbij wijst verzoeker erop dat hij zelfstandig ondernemer is en thans niet in staat is zijn taxiwerkzaamheden uit te voeren. Verzoeker is na het behalen van zijn taxidiploma op 20 maart 2024 als taxichauffeur gaan werken voor Uber. Begin 2025 is hij een eigen taxionderneming gestart. In februari 2025 heeft hij een nieuwe VOG moeten aanvragen naar aanleiding van een melding bij het Kiwa. Op 21 maart 2025 is zijn chauffeurskaart door Kiwa ingetrokken, omdat niet tijdig een nieuwe VOG is overgelegd.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de stelling van de gemachtigde van verzoeker, dat voor het aannemen van een acute financiële noodsituatie geen onderbouwing met stukken waaruit de financiële situatie van verzoeker blijkt nodig is omdat verzoeker zelfstandig ondernemer is en thans zijn taxionderneming niet kan uitoefenen, niet conform vaste rechtspraak is. [1] Voor zover het standpunt van de gemachtigde van verzoeker is dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (enkel) het niet kunnen exploiteren van een onderneming als voldoende spoedeisend belang heeft aangenomen, kan verzoeker daarin niet worden gevolgd. In het geval van verzoeker heeft te gelden dat hij zijn onderneming nog geen twee maanden exploiteerde op het moment dat de chauffeurskaart werd ingetrokken. Onder deze omstandigheden zal verzoeker aan de hand van financiële stukken aannemelijk moeten maken dat de continuïteit van zijn onderneming in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. [2] Daarbij is ook het volgende van belang.
3.3.
Het staat niet ter discussie dat verzoeker een financieel belang heeft bij het verkrijgen van de VOG en daarmee zijn chauffeurskaart. Echter, daarmee is nog niet onderbouwd dat verzoeker thans in een situatie van actuele financiële nood verkeert. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat het niet hebben van een chauffeurskaart niet automatisch tot de conclusie leidt dat verzoeker niet op andere wijze inkomsten kan genereren. Hij beschikt nog over een rijbewijs. Tevens kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat inmiddels zes maanden zijn verstreken sinds de intrekking van de chauffeurskaart. Onder die omstandigheden kan niet worden gevolgd dat een begin van bewijs van financiële nood is overgelegd. Weliswaar heeft verzoeker ter zitting in dit verband aangevoerd dat hij schulden heeft en leningen is aangegaan, maar uit de ingediende zienswijze (onder punt 24) is namens verzoeker aangevoerd dat hij zijn spaargeld volledig in zijn bedrijf heeft gestoken, nadat hij zijn onderneming begin 2025 is gestart. Van geldleningen wordt geen melding gemaakt, dit is eerst ter zitting gedaan, maar niet met stukken onderbouwd. Ook ter zake van de gestelde hoge bedrijfslasten is geen enkele onderbouwing gegeven. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd een verzekering van € 400,- genoemd. Er is niets gebleken van het verlies van een klantenbestand of andere kosten die zullen leiden tot het gestelde faillissement. Verzoeker heeft over zijn persoonlijke financiële situatie geen enkele informatie verstrekt. Ook het enkele tijdsverloop als gevolg van de procedure is in beginsel onvoldoende om vast te stellen dat verzoeker op dit moment onverwijlde spoed heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
3.4.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van de staatssecretaris slaagt. Dat betekent dat er niet is voldaan aan artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, zodat het verzoek om tot voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat gezien de motivering in het bestreden besluit geen sprake is van een situatie waarin het zonder diepgaand onderzoek evident is dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand kan houden.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY0116).
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:790, ECLI:NL:RVS:2024:791, ECLI:NL:RVS:2024:792, ECLI:NL:RVS:2024:797 en ECLI:NL:RVS:2024:798).