ECLI:NL:CRVB:2012:BY0322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen intrekking bijstand en terugvordering
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 1 juli 2008 in omdat de woonplaats van appellante niet kon worden vastgesteld. Appellante maakte geen tijdig bezwaar tegen dit intrekkingsbesluit.
Na een mondelinge klacht en een nieuwe aanvraag werd de bijstand vanaf 25 juni 2009 opnieuw toegekend. Het college vorderde vervolgens de kosten van de bijstand over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 terug, wat appellante betwistte via bezwaar. Dit bezwaar werd deels niet-ontvankelijk verklaard (voor zover gericht tegen de intrekking) en deels ongegrond (voor zover gericht tegen de terugvordering).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op de mondelinge mededeling dat geen bezwaar schriftelijk hoefde te worden ingediend. De Raad oordeelde dat de mondelinge klacht niet voldoet aan de wettelijke eisen voor bezwaar, dat appellante de termijn voor bezwaar tegen het intrekkingsbesluit heeft overschreden en dat er geen verschoonbare reden voor deze termijnoverschrijding is. Het intrekkingsbesluit is daardoor onaantastbaar geworden, en de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand is terecht.
Het college handhaafde het beleid van terugvordering, en appellante kon geen bijzondere omstandigheden aandragen die een uitzondering rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand wordt bevestigd.