Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/154 WWB + 12/5010 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping intrekking bijstand en beperking terugvordering wegens gebrek bevoegdheid

In deze zaak stond het beroep van appellante tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere centraal, waarin bijstand was ingetrokken en teruggevorderd. Na een eerdere tussenuitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen waarbij het gebrek aan bevoegdheid om bijstand in te trekken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 werd hersteld. De terugvordering werd beperkt tot de periode van 1 november 2002 tot en met 24 december 2007 en van 12 februari 2008 tot en met 3 maart 2008, met een bedrag van € 38.656,42.

De Raad verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de intrekking van bijstand over de genoemde periode en de terugvordering betrof. Tevens werd het besluit van 2 oktober 2008 herroepen voor zover het de intrekking van bijstand over deze periode betrof. Daarnaast werd het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarin geen vergoeding voor kosten in bezwaar was toegekend. Het college werd veroordeeld in de kosten van de procedures.

Appellante had nog aanvullende stukken ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat ook in eerdere jaren sprake was van bedrijfssluiting, maar deze werden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. De Raad besloot af te zien van nader onderzoek ter zitting en verwees de zaak naar de enkelvoudige kamer. De uitspraak werd op 9 oktober 2012 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking van bijstand over een bepaalde periode wordt vernietigd en de terugvordering beperkt.

Uitspraak

10/154 WWB, 12/5010 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
27 november 2009, 09/573 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 17 april 2012, LJN BW3998, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 26 juni 2012 een nieuw besluit genomen.
Daarop heeft mr. R.F. Vogel namens appellante zijn zienswijze over dit besluit naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerst en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Tevens is besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. In aansluiting op de tussenuitspraak van 17 april 2012 overweegt de Raad het volgende.
2. Het college heeft bij zijn besluit van 26 juni 2012 het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 5 maart 2009 kleefde hersteld door te overwegen dat, nu er geen bevoegdheid bestaat de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008, de terugvordering wordt beperkt tot de periode van 1 november 2002 tot en met 24 december 2007 en de periode van 12 februari 2008 tot en met 3 maart 2008, tot een bedrag van € 38.656,42.
3. Het besluit van 26 juni 2012 wordt met toepassing van artikel 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.
4. Volgens de zienswijze geeft de inhoud van het besluit van 26 juni 2012 op zich geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen. Wel heeft appellante opnieuw aangevoerd dat ook in eerdere jaren sprake was van een bedrijfssluiting en ter onderbouwing nadere stukken ingebracht. Deze nadere stukken zijn te laat ingebracht en worden daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.
5. Onder verwijzing naar wat in de tussenuitspraak is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en wat betreft de terugvordering. Voorts zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, het besluit van 2 oktober 2008 herroepen voor zover daarbij de bijstand van appellante over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 is ingetrokken en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking. Het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 wordt gegrond verklaard voor zover daarbij geen vergoeding voor de kosten in bezwaar is toegekend en dat besluit wordt in zoverre vernietigd. De in dat besluit opgenomen terugvordering blijft in stand.
6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellante en in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.380,50.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond;
-vernietigt het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking van bijstand over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en de terugvordering;
-herroept het besluit van 2 oktober 2008 wat betreft de intrekking van bijstand over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 gegrond;
-vernietigt het besluit van 26 juni 2012 voor zover daarbij geen vergoeding voor kosten in bezwaar is toegekend;
-veroordeelt het college in de kosten van de procedures tot een bedrag van € 2.380,50, waarvan de kosten in hoger beroep ten bedrage van € 1.092,50 te betalen aan de griffier van de Raad;
-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2012.
(getekend) J.C.F. Talman
(getekend) J.M. Tason Avila
HD