ECLI:NL:CRVB:2012:BY0425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de inhouding van de pseudo-AWBZ-premie op pensioen van in Frankrijk wonende appellant
Appellant, wonend in Frankrijk, ontvangt een vervroegd ouderdomspensioen waarop het College voor zorgverzekeringen (Cvz) de Zvw-bijdrage inhoudt, waaronder de pseudo-AWBZ-premie. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhoudingen, met name tegen de wijze waarop de heffingskorting voor zijn niet-verdienende partner werd verwerkt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij zij de omvang van het geding beperkt opvatte tot de inhouding in december 2009. In hoger beroep betoogde appellant dat ook de inhouding in januari 2010 onterecht was en dat Cvz bij de broninhouding direct rekening had moeten houden met alle relevante heffingskortingen.
De Raad oordeelt dat de rechtbank de omvang van het geding te beperkt heeft beoordeeld en vernietigt de uitspraak. De Raad stelt vast dat de uitvoeringspraktijk van Cvz, waarbij de heffingskorting pas na definitieve vaststelling van het recht wordt verwerkt, niet in strijd is met de wet- en regelgeving. De Raad acht deze praktijk ook niet onrechtmatig en verklaart het beroep ongegrond zonder terugwijzing.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitvoeringspraktijk van Cvz bevestigd.