ECLI:NL:CRVB:2012:BY0433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet nakomen inlichtingen- en medewerkingsverplichting
Appellant ontving bijstand sinds januari 2005 en stond ingeschreven op het adres van zijn zus te Amsterdam. Bij een periodiek heronderzoek ontstond twijfel over zijn werkelijke woonadres. Tijdens een gesprek in april 2010 verklaarde appellant dat hij sinds januari 2010 bij een vriend in Osdorp woonde, maar weigerde het adres te geven. Een huisbezoek op het opgegeven adres kon niet plaatsvinden omdat er niet werd opengedaan.
Het college trok de bijstand met ingang van januari 2010 in wegens het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de verklaring van appellant voldoende feitelijke grondslag bood om aan te nemen dat hij niet op het opgegeven adres woonde.
Verder stelde de Raad vast dat het college voldoende pogingen had gedaan tot nader onderzoek, maar dat het niet mogelijk was het huisbezoek uit te voeren door toedoen van appellant. De Raad concludeerde dat appellant in strijd met artikel 17 WWB Pro niet voldeed aan zijn verplichtingen, waardoor het college terecht de bijstand introk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-nakoming van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting wordt bevestigd.