ECLI:NL:CRVB:2012:BY0437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke premie en beslagvrije voet: bezwaar tegen inning niet-ontvankelijk verklaard onterecht
Appellante kreeg van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) te horen dat zij een bestuursrechtelijke premie moest betalen, deels via inhouding op haar uitkering. Cvz verklaarde haar bezwaar tegen deze inhouding niet-ontvankelijk, omdat bezwaar tegen de hoogte of verschuldigdheid van de premie niet mogelijk zou zijn volgens de Awb.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar bezwaar niet de hoogte van de premie betrof, maar dat de inning de beslagvrije voet doorbrak, wat volgens haar onrechtmatig was.
De Raad oordeelde dat het bezwaar gericht was tegen de wijze van inning, niet tegen de premie zelf, en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. Daarom vernietigde de Raad het besluit van Cvz en verklaarde het beroep gegrond. Omdat appellante haar bezwaar inhoudelijk niet had onderbouwd, verklaarde de Raad het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit alsnog ongegrond.
De Raad wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en bepaalde dat Cvz het betaalde griffierecht moest vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 oktober 2012.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot inning van de bestuursrechtelijke premie is terecht niet-ontvankelijk verklaard, maar het bezwaar tegen de wijze van inning is gegrond verklaard en het besluit vernietigd.