ECLI:NL:CRVB:2012:BY1388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand na transacties met auto’s in hoger beroep
Appellanten zijn in hoger beroep gegaan tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam over de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode maart 2000 tot en met december 2008. Het geschil betreft transacties met auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellanten stonden.
In een eerdere tussenuitspraak van 3 april 2012 oordeelde de Raad dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de transacties met deze auto’s betrokken waren bij de besluitvorming en dat het college niet duidelijk had gemaakt waarin de situatie van appellanten verschilde van eerdere zaken. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover het deze transacties betrof.
Het college nam vervolgens op 4 juni 2012 een nieuw besluit waarin het vijf auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellanten stonden niet meerekende, waardoor het teruggevorderde bedrag werd verlaagd. Appellanten gingen hiertegen in beroep, stellende dat het college het gelijkheidsbeginsel onvoldoende had gemotiveerd. De Raad oordeelde dat het college met het nieuwe besluit juist uitvoering had gegeven aan de tussenuitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellanten en wees het betaalde griffierecht toe. De uitspraak werd gedaan door voorzitter W.F. Claessens op 25 oktober 2012.
Uitkomst: Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard en het oorspronkelijke besluit wordt vernietigd voor zover het transacties met auto’s langer dan drie maanden betreft.