ECLI:NL:CRVB:2012:BY1432

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2468 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 43a lid 1 WAO
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot heroverweging WAO/WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft bij het UWV een WAO-uitkering aangevraagd, die op 13 februari 2004 werd geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Vervolgens vroeg zij in 2009 en 2011 om een WIA-uitkering, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat zij niet verzekerd is voor de Wet WIA en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die heroverweging rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante geen aanspraak kan maken op een WAO- of WIA-uitkering. Het UWV had appellante wel geïnformeerd over de mogelijkheid om een WIA-uitkering aan te vragen na een jaar en negen maanden, maar dit was geen ondubbelzinnige toezegging van recht op uitkering.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waren geschonden, omdat zij telkens werd opgeroepen voor keuringen zonder dat dit tot een uitkering leidde. De Raad oordeelde dat dit het gevolg was van haar eigen herhaalde aanvragen en dat er geen sprake was van schending van deze beginselen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

12/2468 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 maart 2012, 11/3329 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Güçlü, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij schrijven van 8 mei 2012 heeft M.A.T. Huisman zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. F.A. Put.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 februari 2004 is appellante een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat zij na afloop van de wachttijd op 6 april 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar tegen dit besluit is
niet-ontvankelijk verklaard.
1.2. Op 27 april 2009 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd haar in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering omdat zij niet voldoet aan de criteria. Hierbij is aangegeven dat zij na ongeveer een jaar en negen maanden een aanvraag voor een uitkering krachtens de Wet Werk en inkomen (Wet Wia) kan indienen. Tegen het besluit van 6 juli 2009 is geen rechtsmiddel aangewend.
1.3. Appellante heeft op 12 oktober 2009 een WIA-uitkering aangevraagd, met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 8 april 2003. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 februari 2004. Dit verzoek is bij besluit van 11 november 2009 afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen het besluit van
11 november 2009 is geen rechtsmiddel aangewend.
2.1. Appellante heeft op 18 mei 2011 opnieuw een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend, met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag in april 2003. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 februari 2004. Bij besluit van 7 juni 2011 is het verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
2.2. Bij besluit van 30 september 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2011 ongegrond verklaard, zij het onder een aanvulling van de motivering. Aan appellante is medegedeeld dat zij geen rechten kan ontlenen aan de WAO omdat zij sinds 1 april 2003 geen werkzaamheden heeft verricht en dus geen rechten meer kan ontlenen aan de WAO. Bij besluit van 13 februari 2004 is appellante per 4 juni 2004 een WAO-uitkering geweigerd. De melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid ziet op de datum 27 april 2009 en dat is meer dan vijf jaar na de weigering van de uitkering.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met juistheid heeft vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Niet in geschil is dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
27 april 2009 is. Bij een toename van beperkingen die ligt na 6 april 2009 kan geen sprake meer zijn van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO.Appellante kan evenmin in aanmerking worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat zij, nu zij na 1 april 2003 geen werkzaamheden heeft verricht, niet verzekerd is voor de Wet WIA. Een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 februari 2004 slaagt niet. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die nopen tot heroverweging van de in rechte vaststaande besluiten.Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. In het besluit van 6 juli 2009 staat weliswaar dat appellante na een jaar en negen maanden een WIA-uitkering kan aanvragen, maar daarin staat niet dat appellante ook daadwerkelijk een WIA-uitkering krijgt. Er is geen sprake van een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging.
4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. Aan appellante was medegedeeld dat zij een WIA-uitkering kon aanvragen na een jaar en negen maanden. Er is overleg geweest met het Uwv. Toen het jaar en de negen maanden voorbij waren heeft ze een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens is ze onderzocht en dat heeft niet geleid tot een uitkering. Het is niet te begrijpen waarom ze steeds maar weer gekeurd wordt als ze toch geen uitkering krijgt.
5.1. De Raad oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het verzoek om een uitkering ingevolge artikel 43a, eerste lid, van de WAO terecht is afgewezen. De overwegingen van de rechtbank hieromtrent zijn juist.
5.2. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat er geen recht bestaat op een WIA-uitkering omdat appellante niet verzekerd is voor de Wet WIA. Er is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel. Het Uwv heeft appellante wellicht op het verkeerde spoor gezet door mededelingen te doen over het aanvragen van een WIA-uitkering. Echter, nergens uit het dossier blijkt dat de ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat appellante ook in aanmerking zal worden gebracht voor een WIA-uitkering.
5.3. Dat appellante - zoals zij in hoger beroep heeft aangegeven - steeds wordt opgeroepen voor een keuring terwijl zij toch geen uitkering krijgt, komt omdat zij zelf steeds weer een nieuwe aanvraag doet. Hierop volgt - zoals de wet voorschrijft - een onderzoek. De Raad ziet hier geen schending van het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in.
5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning