ECLI:NL:CRVB:2012:BY1432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot heroverweging WAO/WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft bij het UWV een WAO-uitkering aangevraagd, die op 13 februari 2004 werd geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Vervolgens vroeg zij in 2009 en 2011 om een WIA-uitkering, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat zij niet verzekerd is voor de Wet WIA en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die heroverweging rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante geen aanspraak kan maken op een WAO- of WIA-uitkering. Het UWV had appellante wel geïnformeerd over de mogelijkheid om een WIA-uitkering aan te vragen na een jaar en negen maanden, maar dit was geen ondubbelzinnige toezegging van recht op uitkering.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waren geschonden, omdat zij telkens werd opgeroepen voor keuringen zonder dat dit tot een uitkering leidde. De Raad oordeelde dat dit het gevolg was van haar eigen herhaalde aanvragen en dat er geen sprake was van schending van deze beginselen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.