ECLI:NL:CRVB:2012:BY1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor uitvaartkosten na verwerping nalatenschap zus
Appellante verzocht om bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten van haar overleden zus. De zus had vier kinderen en appellante had de nalatenschap uitdrukkelijk verworpen, waardoor zij geen erfgenaam is. De uitvaartverzekering bleek nietig, waardoor appellante de kosten zelf moest dragen.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag grotendeels af, omdat uitvaartkosten als passiva van de nalatenschap voor rekening van erfgenamen komen. Hoewel appellante de nalatenschap verwierp, werd zij door het college als erfgenaam aangemerkt voor een deel van de kosten, maar een groot deel van de kosten werd niet als noodzakelijk erkend.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat er geen zeer dringende redenen waren om bijzondere bijstand toe te kennen op grond van artikel 16 WWB Pro. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellante wel tot de personenkring van de WWB behoort en daarom artikel 16 WWB Pro niet van toepassing is.
De Raad bevestigde dat uitvaartkosten niet tot de noodzakelijke kosten van appellante behoren en dat het college niet gehouden is deze te vergoeden. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt afgewezen omdat appellante geen erfgenaam is en de kosten niet als noodzakelijke bestaanskosten gelden.