ECLI:NL:CRVB:2012:BY2076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant had aanvankelijk recht op een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 8 maart 2010, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij vanwege pijnklachten slechts zeer beperkt kon werken. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank Arnhem dat onvoldoende was aangetoond dat de belastbaarheid per 8 maart 2010 was beoordeeld, waardoor het besluit werd vernietigd.
Het UWV herbeoordeelde de situatie en handhaafde het besluit tot beëindiging van de uitkering. De rechtbank heropende het onderzoek en liet appellant neurologisch onderzoeken, waarbij werd vastgesteld dat hij neurologisch geen beperkingen had en geen arbeidsduurbeperking nodig was. Ook psychische beperkingen werden uitgesloten. De arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellant in staat was de geduide functies te vervullen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, onderbouwd met een psychiatrisch rapport, maar de Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundigen en het UWV dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht meer heeft op een WAO-uitkering vanaf 8 maart 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering per 8 maart 2010 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.