ECLI:NL:CRVB:2012:BY2076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2770 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant had aanvankelijk recht op een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 8 maart 2010, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij vanwege pijnklachten slechts zeer beperkt kon werken. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank Arnhem dat onvoldoende was aangetoond dat de belastbaarheid per 8 maart 2010 was beoordeeld, waardoor het besluit werd vernietigd.

Het UWV herbeoordeelde de situatie en handhaafde het besluit tot beëindiging van de uitkering. De rechtbank heropende het onderzoek en liet appellant neurologisch onderzoeken, waarbij werd vastgesteld dat hij neurologisch geen beperkingen had en geen arbeidsduurbeperking nodig was. Ook psychische beperkingen werden uitgesloten. De arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellant in staat was de geduide functies te vervullen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, onderbouwd met een psychiatrisch rapport, maar de Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundigen en het UWV dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht meer heeft op een WAO-uitkering vanaf 8 maart 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering per 8 maart 2010 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

12/2770 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 april 2012, 11/871 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 november 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2012. Appellant is - met kennisgeving vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Aan appellant is een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 maart 2010 beëindigd, aangezien hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij hij onder meer naar voren heeft gebracht dat hij vanwege pijnklachten in zeer beperkte mate in staat is werkzaamheden te verrichten.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 8 juni 2010 heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté van 12 mei 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige E.T.J. van de Pavert van 8 juni 2010, ongegrond verklaard.
1.5. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 18 november 2010 (10/2600) het beroep van appellant tegen het besluit van 8 juni 2010 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende was gebleken dat de belastbaarheid van appellant was beoordeeld per de datum in geding, zijnde 8 maart 2010.
1.6. Naar aanleiding van de bij 1.5 vermelde uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 2 februari 2011 (bestreden besluit) opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2010 en dit besluit gehandhaafd. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat ook na herbeoordeling is gebleken dat appellant met ingang van 8 maart 2010 niet langer arbeidsongeschikt is en met ingang van die datum geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.
2.1. Het beroep is behandeld tijdens de zitting van de rechtbank op 14 juli 2011. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en opdracht gegeven aan neuroloog E.H.M. van den Doel om appellant te onderzoeken en aan de hand van zijn bevindingen een aantal vragen te beantwoorden. In zijn rapport van 26 oktober 2011 heeft Van den Doel gesteld dat appellant op 8 maart 2010 op neurologisch vakgebied geen enkele beperking had en dat er geen reden is om appellant een arbeidsduurbeperking op te leggen.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het vaste rechtspraak is dat het oordeel van een onafhankelijke ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd en dat de rechtbank geen reden heeft gezien om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. Het door de deskundige verrichte medische onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig, hetgeen ook niet is bestreden en het rapport is inzichtelijk en concludent. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat geen twijfel is ontstaan over het oordeel van de verzekeringsartsen dat psychische beperkingen bij appellant per 8 maart 2010 ontbreken. Om die reden heeft de rechtbank geen grond gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke psychiatrisch deskundige. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen voldoende is toegelicht dat appellant in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat fysieke en psychische klachten hem niet in staat stellen voltijds arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de rapportage van de psychiater dr. W.M.N.J. Buis van 7 maart 2011.
3.2. Bij het verweer heeft het Uwv bijgesloten de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep S.J.J.M. Gommers van 15 februari 2012. In deze rapportage heeft Gommers opgemerkt in zijn eerdere reacties te hebben aangegeven dat appellant onder behandeling staat van psychiater Buis om instandhouding van klachten te doorbreken en te leren “zijn grenzen te bewaken”. Opnieuw heeft hij vermeld geen aanleiding te zien het oordeel over de belastbaarheid van appellant te wijzigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De rechtbank heeft de eerder aangevoerde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Terecht heeft de rechtbank in dit geval geen reden gezien af te wijken van de vaste rechtspraak om het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige te volgen.
4.2. Ten aanzien van de verwijzing in hoger beroep naar de informatie, opgenomen in de rapportage van de psychiater Buis, kan het oordeel worden onderschreven dat deze geen nieuwe medische gegevens bevat die aanleiding zouden kunnen geven voor een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant.
4.3. De rechtbank heeft ten slotte terecht geoordeeld dat er evenmin aanknopingspunten zijn het oordeel van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, dat de belasting die is verbonden aan de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt, niet juist te achten.
4.4. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2012.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) I.J. Penning
KR