ECLI:NL:CRVB:2012:BY2084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij ziekte van Crohn
In deze zaak staat de beoordeling van het einde van de wachttijd en de weigering van een WIA-uitkering centraal. Appellante, lijdend aan de ziekte van Crohn, stelt dat haar beperkingen onvoldoende zijn meegewogen, met name de chronische vermoeidheid en pijn die haar functioneren ernstig beperken.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak na een zorgvuldige toetsing van het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben de medische situatie uitgebreid onderzocht en concludeerden dat de beperkingen binnen de vastgestelde belastbaarheid vallen. De chronische vermoeidheid werd niet als zodanig waargenomen dat dit een urenbeperking rechtvaardigt. Nieuwe medische gegevens werden niet ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan deze beoordeling.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.