ECLI:NL:CRVB:2012:BY2151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1873 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht herziening van het besluit tot beëindiging van haar Ziektewetuitkering per 24 april 2006, stellende dat een in 2009 vastgestelde diagnose van borstkanker een nieuw feit vormt dat haar klachten in 2006 verklaart.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af omdat er geen objectief-medisch bewijs is dat een causaal verband tussen de klachten in 2006 en de borstkanker bestaat. Ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de diagnose geen nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en voerde zij een recente hernia aan, maar de Raad oordeelde dat nieuwe gegevens die pas in beroep worden ingebracht niet in aanmerking kunnen worden genomen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en het afwijzende besluit van het Uwv, waarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering rechtsgeldig blijft.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/1873 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2011, 10/2787 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Süzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2012. Namens appellante is verschenen mr. Süzen. Ook waren aanwezig appellantes echtgenoot, [naam echtgenoot], en haar dochter, [naam dochter]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 april 2006, dat is gehandhaafd bij besluit van 5 april 2007, heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 24 april 2006. Dit besluit is - na de uitspraak van de Raad in hoger beroep van 29 juli 2009 (LJN BJ4281) - rechtens onaantastbaar geworden.
1.2. Appellante heeft het Uwv bij brief van 24 november 2009 verzocht het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering met ingang van 24 april 2006 te herzien. Zij heeft aangevoerd, dat het onderzoek in 2006 onvolledig is geweest. In augustus 2009 is bij haar de diagnose borstkanker gesteld. Op grond van deze diagnose zijn haar klachten in 2006 te verklaren. Ten onrechte is zij in 2006 hersteld verklaard voor het eigen werk.
1.3. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 13 april 2006 onjuist zou zijn. Appellante heeft bezwaar gemaakt en vergelijkbare gronden aangevoerd als bij haar verzoek. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de artsen te kennen hebben gegeven dat er een causaal verband kan bestaan tussen de borstkanker en de klachten die zij sedert 2006 heeft.
1.4. Bij besluit van 7 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 25 mei 2010, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderschreven. Het Uwv was daarom bevoegd de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 13 april 2006.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald, dat met de gestelde diagnose borstkanker sprake is van een nieuw gebleken feit. Verder heeft zij aangevoerd dat recentelijk - na de beroepsprocedure - bij haar is vastgesteld dat zij te kampen heeft met een hernia.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.2. Indien het Uwv met gebruikmaking van de bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening, neergelegd in artikel 4:6 van Pro de Awb, het eerder genomen besluit handhaaft, beperkt de toetsing door de Raad zich in beginsel tot de vraag of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
4.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen door appellante is aangevoerd geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien van haar medische toestand per 13 april 2006 bevat. Weliswaar is de volgens appellante gestelde diagnose van borstkanker een nieuw gegeven, maar zij heeft geen objectief-medisch stuk in het geding gebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat de klachten die zij in 2006 had in causaal verband staan met de in 2009 vastgestelde borstkanker. Bovendien is voor de ZW niet zozeer een diagnose van belang, maar de bij het verzekeringsgeneeskundige onderzoek beperkingen die voortvloeien uit een ziekte of gebrek. Ook daarover heeft appellante geen nieuwe gegevens ingebracht. De in 2009 gestelde diagnose is dan ook geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.4. Met betrekking tot de gestelde hernia wijst de Raad er op dat volgens vaste rechtspraak met nieuwe gegevens die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht, bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb genomen besluiten geen rekening kan worden gehouden.
4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) Z. Karekezi
KR