ECLI:NL:CRVB:2012:BY2362

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/621 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling vermogen bij bijstandsuitkering ondanks bezwaar over onroerende zaken in Servië

Appellante vroeg bijstand aan en overhandigde een taxatierapport en kadastrale uittreksels van onroerende zaken in Servië. Het college stelde haar vermogen vast op €9.528,26, inclusief een kwart van de waarde van deze onroerende zaken. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat de onroerende zaken niet tot haar vermogen behoorden op grond van een uitspraak van het Kantongerecht uit 1983.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het besluit tot vaststelling van het vermogen wel rechtsgevolg heeft. Appellante ging in hoger beroep tegen dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het eigendom van onroerende zaken in een officieel register een sterke vermoeden geeft dat deze tot het vermogen behoren, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is.

Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de onroerende zaken niet tot haar vermogen behoren. De nalatenschapsuitspraak betrof het afstaan van een aandeel aan haar oom, maar maakte niet duidelijk dat de onroerende zaken die op haar naam staan daaronder vielen. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De vaststelling van het vermogen inclusief de onroerende zaken in Servië wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

11/621 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/823 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
Datum uitspraak 23 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met registratienummer 11/608 WWB, plaatsgevonden op 11 september 2012. Namens appellante is mr. Smeets verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 23 november 2009 heeft appellante zich gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft vervolgens op 16 december 2009 een aanvraag gedaan. In het kader van deze aanvraag heeft appellante een vertaald taxatierapport en uittreksels uit het Kadaster in [plaatsnaam] in Servië overgelegd en een uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van augustus 1983. Bij besluit van 19 januari 2009 (lees: 2010) is aan appellante met ingang van 23 november 2009 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij dat besluit heeft het college het vermogen van appellante vastgesteld op € 9.528,26, waarbij de onroerende zaken in Servië in aanmerking zijn genomen voor een bedrag van € 4.798,88, zijnde een kwart van de waarde van de in het taxatierapport opgenomen onroerende zaken.
1.2. Bij besluit van 25 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de vaststelling van het vermogen in het besluit van 19 januari 2010 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de vaststelling van de vermogensruimte geen gevolg heeft voor het recht op bijstand en moet worden opgevat als een informatieve mededeling die niet gericht is op rechtsgevolg, zodat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar gegrond (lees: ongegrond) verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit tot vaststelling van het vermogen op rechtsgevolg is gericht en dat het college het vermogen terecht heeft vastgesteld op € 9.528,26.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij haar bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond is verklaard. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat zij op grond van de door haar overgelegde uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van 5 augustus 1983 de onroerende zaken in [plaatsnaam] niet tot haar vermogen moeten worden gerekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Uit de uittreksels van het Kadaster in [plaatsnaam] komt naar voren dat appellante een kwart van de daarin genoemde onroerende zaken bezit. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
4.2. Appellante is hierin niet geslaagd. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van heden in de zaak met registratienummer 11/608 WWB, kan uit de uitspraak van het Kantongerecht te [plaatsnaam] van 5 augustus 1983, anders dan appellante stelt, niet worden opgemaakt dat appellante niet beschikt over onroerende zaken in Servië. Uit deze uitspraak blijkt weliswaar dat appellante als kleindochter haar aandeel in de nalatenschap van haar overleden grootmoeder heeft afgestaan aan haar oom, maar daaruit valt niet op te maken dat daaronder ook de op naam van appellante staande onroerende zaken te [plaatsnaam] vallen.
4.3. Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) A.C. Oomkens
HD