ECLI:NL:CRVB:2012:BY2670

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2201 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op loongerelateerde WGA-uitkering en duurzaamheid arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft zich ziek gemeld terwijl zij een WW-uitkering ontving. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid, maar niet duurzaam volgens de Wet WIA. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar arbeidsongeschiktheid duurzaam is en dat het UWV haar psychische klachten niet juist heeft vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV terecht oordeelde dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten. Dit oordeel was gebaseerd op een beoordelingskader voor duurzaamheid van arbeidsbeperkingen en medische rapporten van een bezwaarverzekeringsarts. Appellante bracht geen medische gegevens aan die tot een ander oordeel leidden.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad overwoog dat appellante niet onder psychiatrische behandeling is en geen medicatie gebruikt, terwijl een psychose onder behandeling doorgaans goed onder controle is te krijgen. De Raad concludeerde dat er een redelijke verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden, waardoor appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellante geen recht heeft op een IVA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2201 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2011, 10/1522 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 31 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft dr. mr. E. Tahitu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlage) en - desgevraagd - nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting in de zaak heeft plaatsgevonden op 19 september 2012. Appellante is met bericht vooraf niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. drs. F.A. Steeman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft zich op 15 oktober 2007 ziek gemeld vanuit de situatie dat zij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet. Bij besluit van 10 september 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 12 oktober 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, omdat zij met ingang van die datum 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 16 februari 2010. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 16 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe eerst vastgesteld dat het geschil tussen partijen slechts gaat over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante tevens duurzaam is in de zin van artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Vervolgens heeft zij, onder verwijzing naar het rapport van Hulst van 16 februari 2010, geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Naar haar oordeel valt niet uit te sluiten dat een verbetering van de belastbaarheid van appellante, in welke mate dan ook, tot de reële mogelijkheden behoort. Appellante heeft, zo heeft de rechtbank tenslotte overwogen, geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat geen herstel is te verwachten.
3.1. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw, onder verwijzing naar hetgeen door haar in bezwaar en beroep is aangevoerd, betoogd dat zij wel voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Zij heeft de stelling herhaald dat haar volledige arbeidsongeschiktheid tevens duurzaam is. Dat het Uwv zich op het standpunt stelt dat haar volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, komt omdat het Uwv haar psychische klachten niet zorgvuldig heeft vastgesteld en niet juist heeft gewaardeerd.
3.2. Het Uwv heeft in verweer gesteld geen aanleiding te zien zijn standpunt, neergelegd in het bestreden besluit, te wijzigen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft het Uwv een rapport van Hulst van 5 mei 2011 overgelegd, waarin deze er opnieuw op heeft gewezen dat hij bij eigen onderzoek in bezwaar geen aanwijzingen heeft gevonden voor de aanwezigheid van een psychotische stoornis en ook niet voor een andere relevante psychiatrische aandoening. Voorts heeft Hulst gesteld dat, zo al zou worden uitgegaan van een psychose, er dan nog geen sprake is van duurzaamheid, omdat een psychose onder gerichte behandeling in beginsel goed onder controle is te krijgen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat appellante niet onder psychiatrische behandeling is en geen medicatie gebruikt die op behandeling van een (pyschotische) stoornis is gericht.
4.1. In hoger beroep is, net als voor de rechtbank, tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante duurzaam is, zodat zij ingevolge artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
4.2. Volgens het tweede lid van artikel 4 van Pro de Wet WIA wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid van dat artikel wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op langere termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3. Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid geldt voor de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv een beoordelingskader, genaamd ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ (beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:
1. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of
2. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. Voorts bevat het beoordelingskader, voor zover in dit geding van belang, het volgende:
“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hierbij de volgende stappen:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
a.een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of
b.een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
a.er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b.verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goed verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.”
Met betrekking tot dit beoordelingskader is al geoordeeld dat het niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA (zie de uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH 1896).
4.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verbetering van de belastbaarheid van appellante niet is uitgesloten. In de eerste plaats komt uit het verloop van het ziektebeeld van appellante naar voren dat zij na een eerdere periode (in 2004/2005) van ziekte wegens haar psychische problematiek hersteld is verklaard en dat zij in 2008 minder last had van klachten toen zij onder behandeling was van een traditionele Ghanese genezer. In de tweede plaats was appellante niet onder psychiatrische behandeling en gebruikte zij geen medicatie, gericht op haar psychische klachten, terwijl met een gerichte psychiatrische behandeling, naar bezwaarverzekeringsarts Hulst onbetwist heeft gesteld, in beginsel een psychotische stoornis goed onder controle is te krijgen. Appellante heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarmee is de in stap 2 onder a van het beoordelingskader beschreven situatie aan de orde dat er een redelijke of goede verwachting bestaat dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. De stelling van appellante dat het Uwv haar psychische klachten niet zorgvuldig en niet juist heeft vastgesteld, slaagt niet. Appellante voldoet dan ook, anders dan zij heeft betoogd, niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.
4.5. Daarmee treft het hoger beroep van appellante geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er is geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012.
(getekend) J. Riphagen
(getekend) D. Heeremans
KR