ECLI:NL:CRVB:2012:BY2837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep Wajong-uitkering: geen bijzondere omstandigheid voor terugwerkende kracht
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht over de ingangsdatum van een Wajong-uitkering. De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van een bijzondere omstandigheid waardoor de uitkering met terugwerkende kracht vanaf de achttiende verjaardag van betrokkene moest worden toegekend. Dit omdat de ernst van de aandoening ADD pas later duidelijk zou zijn geworden en de gezinsproblematiek de herkenning van arbeidsongeschiktheid zou hebben bemoeilijkt.
De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel niet. Uit het dossier blijkt dat betrokkene en zijn moeder al in een vroeg stadium, tussen 2001 en 2003, met ernstige psychosociale problemen en behandelingen te maken hadden. Zij hadden toen al kunnen begrijpen dat betrokkene aanzienlijke beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid. De omstandigheid dat de diagnose ADD pas later werd gesteld en dat de identiteitsstoornis mogelijk niet aan de moeder was meegedeeld, doet hier niet aan af.
De Raad concludeert dat betrokkene en zijn moeder de Wajong-uitkering eerder hadden kunnen en moeten aanvragen. Onbekendheid met de uitkeringsmogelijkheden vormt geen bijzonder geval. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.