ECLI:NL:CRVB:2012:BY3294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaren tegen beëindiging AOW-pensioen
Appellante ontving vanaf 2002 een AOW-pensioen, dat in 2005 werd geschorst en beëindigd wegens het niet reageren op informatieverzoeken. In 2009 werd het pensioen opnieuw aangevraagd en toegekend met ingang van november 2008, later teruggebracht tot juli 2008 na bezwaar. De bezwaren tegen de besluiten uit 2005 werden echter niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
Appellante stelde dat zij en haar gemachtigde niet tijdig op de hoogte waren gesteld van de besluiten uit 2005 en dat de machtiging aan haar gemachtigde beperkt was. De Raad oordeelde dat de bezwaartermijn correct was gestart met de verzending aan de gemachtigde, dat geen onmiskenbare beperking van de machtiging was aangetoond en dat appellante tijdig bezwaar had moeten maken na kennisname in 2009.
Ook werd geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een verdere terugwerkende kracht van het pensioen rechtvaardigen dan één jaar. De aanvraag van appellante werd terecht als een nieuwe aanvraag beoordeeld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bezwaren tegen de beëindiging van het AOW-pensioen worden niet-ontvankelijk verklaard en het pensioen is terecht toegekend met ingang van juli 2008.