ECLI:NL:CRVB:2012:BY3345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar lagere mate arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, die sinds 6 maart 1993 gebaseerd was op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 8 september 2009 te herzien naar een mate van 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de bevindingen voor juist moesten worden gehouden. Ook de opgelegde re-integratieverplichtingen werden als terecht beschouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstiger beperkt was dan het UWV aannam en dat het verrichten van arbeid in de voorgestelde functies niet mogelijk was. Tevens wees zij op een latere verhoging van haar uitkering per 12 januari 2011 naar 80-100% arbeidsongeschiktheid, als bewijs dat haar belastbaarheid per 8 september 2009 niet verbeterd was.
De Raad oordeelde dat de verhoging van de uitkering in 2011 los stond van het geschil over de herziening in 2009 en dat de rechtbank de gronden van appellante afdoende en juist had gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de herziening van haar WAO-uitkering bevestigd.