ECLI:NL:CRVB:2012:BY3488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen mededeling over verblijf buitenland en uitkering
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een brief van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) waarin werd medegedeeld dat hij met behoud van uitkering maximaal vier weken per jaar in het buitenland mag verblijven. De brief gaf aan dat een verblijf van 1 november 2010 tot en met 1 februari 2011 niet toegestaan was omdat appellant al eerder in dat jaar de maximale periode had benut.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij erop mocht vertrouwen dat de brief een besluit was omdat onderaan de brief stond dat bezwaar mogelijk was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief niet zelfstandig op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is. Het vermelden van de mogelijkheid tot bezwaar was onterecht maar verandert niets aan de niet-bestuurlijke aard van de brief.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van de Dienst Werk en Inkomen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.