ECLI:NL:CRVB:2012:BY3503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging arbeidsverplichtingen en GGZ-behandelverplichting op grond van WWB
Appellant ontvangt sinds 1995 bijstand en heeft fysieke en psychische beperkingen die zijn arbeidsinschakeling belemmeren. Medische onderzoeken uit 2007 en 2009 tonen aan dat appellant 20 uur per week passende arbeid kan verrichten, maar dat psychische klachten een duurzame werkrelatie in de weg staan. Het dagelijks bestuur legde op grond van de WWB arbeidsverplichtingen op en verplichtte appellant mee te werken aan GGZ-behandeling.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch advies ondeugdelijk was en dat geen adequate doorverwijzing naar GGZ had plaatsgevonden. De Raad oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was, gebaseerd op uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek.
De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur terecht de arbeidsverplichtingen en GGZ-behandelverplichting heeft opgelegd. Appellant heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor zijn stellingen over het ontbreken van doorverwijzing en de juistheid van de fysieke belastbaarheid. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot oplegging van arbeidsverplichtingen en verplichting tot GGZ-behandeling.