ECLI:NL:CRVB:2012:BY3649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs verblijf op opgegeven adres
Appellant heeft een aanvraag om bijstand ingediend voor de periode van 15 juni 2007 tot 23 september 2008. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond heeft de aanvraag afgewezen voor het deel van 15 juni 2007 tot 30 juli 2008, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. Wel is bijstand toegekend voor de periode van 30 juli 2008 tot 23 september 2008.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met getuigenverklaringen, vreemdelingenrechtelijke stukken en bankafschriften voldoende bewijs heeft geleverd van zijn verblijf op het adres. Hij verklaarde dat pintransacties buiten de plaats verklaard konden worden door reizen voor werk of het ophalen van stempels bij een politiebureau.
De Raad oordeelt dat de feitelijke situatie bepalend is en niet de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. De verklaringen over de pintransacties in Dordrecht zijn ongeloofwaardig en niet eenduidig, mede doordat de reisroute niet klopt en de verklaring later werd gewijzigd. Ook de getuigenverklaringen zijn summier en bevatten vooral conclusies. Daarom is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode van 15 juni 2007 tot 30 juli 2008 op het opgegeven adres verbleef.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand voor de periode van 15 juni 2007 tot 30 juli 2008 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf op het opgegeven adres.