ECLI:NL:CRVB:2012:BY3887

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5042 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding hydrotherapie voor vervolgingsslachtoffer wegens gebrek aan medische noodzaak

Appellante, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1926, vroeg vergoeding van kosten voor hydrotherapie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder, de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, wees de aanvraag af omdat de therapie niet medisch noodzakelijk zou zijn voor de klachten die voortvloeien uit de vervolging.

De Raad baseerde zich op het advies van een geneeskundig adviseur die concludeerde dat de hydrotherapie was voorgeschreven vanwege een rechtszijdige verlamming als gevolg van een CVA, welke niet verband houdt met de vervolging. De medische gegevens ondersteunden dit standpunt en er waren geen aanwijzingen dat de therapie verband hield met de vervolgingsgerelateerde klachten.

Appellante leverde aanvullende medische informatie aan, maar deze betrof een situatie na het bestreden besluit en kon daarom niet in de beoordeling worden betrokken. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 november 2012.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding van hydrotherapie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/5042 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 22 november 2012
PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 mei 2011, kenmerk BZ01288259 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer op 14 juni 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 11 oktober 2012. Daar is van de zijde van appellante niemand verschenen. Verweerder heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1926 in [B.], is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat haar rugklachten, psychische klachten, hoofdpijn, spierzwakte, pijnen in linkerbeen en linkerarm in verband staan met de ondergane vervolging. In de loop der tijd zijn aan appellante enkele bijzondere voorzieningen op grond van de Wuv toegekend. Zo heeft appellante in verband met haar rugklachten een vergoeding van de kosten voor een zwemabonnement toegekend gekregen, laatstelijk over de jaren 2007 en 2008 bij wijze van overgangsmaatregel, omdat verweerder zwemmen zonder professionele begeleiding niet langer beschouwt als een medisch noodzakelijke voorziening.
1.2. In september 2010 heeft appellante bij verweerder een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten voor hydrotherapie. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit 30 december 2010 en deze afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering tot vergoeding van hydrotherapie heeft verweerder gebaseerd op de overweging dat deze therapie in verband met de uit de vervolging voortvloeiende klachten niet medisch noodzakelijk is. Dit standpunt is in hoofdzaak gebaseerd op het advies van de geneeskundig adviseur R. Loonstein. Deze arts heeft op basis van de in bezwaar ontvangen informatie van de huisarts dr. Rami Abu Ruhmin geconcludeerd dat de hydrotherapie is voorgeschreven vanwege de niet met de vervolging verbandhoudende (status na) CVA en de als gevolg daarvan ontstane rechtszijdige verlamming.
2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseur, heeft ingenomen. Voor de Raad is voldoende duidelijk dat de rechtszijdige verlamming een uitvloeisel is geweest van de CVA die appellante heeft doorgemaakt en dat dit de klachten waren waarvoor de therapie - ten tijde hier van belang - werd voorgeschreven. Het standpunt van appellante dat deze klachten al eerder bestonden en destijds aanleiding hebben gegeven voor het toekennen van vergelijkbare voorzieningen, kan niet worden onderschreven. Zoals aangegeven onder 1.1 zijn destijds andere klachten aanvaard - waaronder met name linkszijdige pijnklachten - en werd het zwemabonnement toegekend vanwege de rugklachten.
2.3. In beroep heeft appellante nog informatie overgelegd van de huisarts en dr. Amos Hanani waaruit naar voren komt dat deze artsen de hydrotherapie voorschrijven vanwege de orthopedische klachten van appellante. Die informatie ziet echter op de situatie van na het bestreden besluit en kan om die reden niet bij de beoordeling van onderhavige zaak worden betrokken.
2.4. Gelet op het voorgaande moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S.K. Dekker