ECLI:NL:CRVB:2012:BY3887
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding hydrotherapie voor vervolgingsslachtoffer wegens gebrek aan medische noodzaak
Appellante, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1926, vroeg vergoeding van kosten voor hydrotherapie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder, de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, wees de aanvraag af omdat de therapie niet medisch noodzakelijk zou zijn voor de klachten die voortvloeien uit de vervolging.
De Raad baseerde zich op het advies van een geneeskundig adviseur die concludeerde dat de hydrotherapie was voorgeschreven vanwege een rechtszijdige verlamming als gevolg van een CVA, welke niet verband houdt met de vervolging. De medische gegevens ondersteunden dit standpunt en er waren geen aanwijzingen dat de therapie verband hield met de vervolgingsgerelateerde klachten.
Appellante leverde aanvullende medische informatie aan, maar deze betrof een situatie na het bestreden besluit en kon daarom niet in de beoordeling worden betrokken. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 november 2012.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding van hydrotherapie is ongegrond verklaard.