ECLI:NL:CRVB:2012:BY4628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening nabetaling bijstand met openstaande schuld door college
Appellant ontving sinds 1982 met onderbrekingen bijstand en had een openstaande schuld bij het college vanwege een eerdere intrekking van bijstand over de periode 1998-2005. Na een eerdere vernietiging van een besluit door de Raad, kende het college bij besluit van 9 februari 2011 alsnog bijstand toe vanaf 15 maart 2008 en besloot de nabetaling te verrekenen met de openstaande schuld.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college onredelijk had gehandeld door te verrekenen, omdat hij in de verrekeningsperiode niet beschikte over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet en hij in financiële en medische problemen was geraakt. Tevens stelde hij dat het college onzorgvuldig had gehandeld.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot verrekening overeenkomstig artikel 6:127 lid 2 BW Pro en dat appellant ten tijde van het verrekeningsbesluit wel beschikte over een inkomen gelijk of hoger dan de beslagvrije voet. De omstandigheden van appellant, waaronder het aangaan van schulden en zijn medische situatie, rechtvaardigden geen ander oordeel. Ook het vermeende onzorgvuldig handelen van de procesvertegenwoordiger speelde geen rol bij de beoordeling.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van de nabetaling met de openstaande schuld door het college bevestigd.