ECLI:NL:CRVB:2012:BY5461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker in WSW-verband, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte door een bovenbeenfractuur en een erfelijke spierziekte. Het UWV stelde vast dat de fractuur was hersteld en ondanks verergering van de spierziekte appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Na bezwaar en een hernieuwd onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige, werd het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep ongegrond en vond het onderzoek zorgvuldig en de medische rapportages betrouwbaar. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische klachten niet waren erkend en dat hij niet geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. De Raad concludeerde echter dat de psychische toestand niet was verslechterd en dat appellant geschikt was voor zittend werk bij een laag tempo.
De Raad oordeelde dat er geen medische informatie was die het oordeel van het UWV ondermijnt. Bovendien is voldoende aannemelijk dat soortgelijk werk bij andere werkgevers beschikbaar is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering.