ECLI:NL:CRVB:2012:BY5470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WAO-uitkering wegens niet voldane wachttijd
Appellant verzocht in augustus 2008 om een WAO-uitkering. Het UWV wees dit af omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was vanaf juni of juli 1993. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het nadeel van de late aanvraag en daarmee het onduidelijk zijn van de medische situatie voor rekening van appellant komt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds juli 1993 onder behandeling was vanwege diverse klachten die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Hij overhandigde aanvullende medische stukken en correspondentie met de CNSS en GUO. De Raad oordeelde dat deze stukken onvoldoende bewijs leveren dat appellant de vereiste wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na juli 1993 arbeidsongeschikt was. Ook werd gewezen op het ontbreken van bezwaar tegen eerdere afwijzingen en het feit dat de GUO appellant vanaf januari 1994 als arbeidsgeschikt beschouwde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.