ECLI:NL:CRVB:2012:BY5479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op Nederlandse WAO-uitkering bij eerdere Duitse verzekering
Appellant was jarenlang verzekerd in Duitsland tot 27 november 1994 en ontving daar tot die datum ziekengeld. Na die datum werd hij geschikt geacht lichte tot middelzware werkzaamheden te verrichten. Hij diende in 2007 een aanvraag in voor een Duitse en Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar de Duitse instantie weigerde vanwege onvoldoende verzekeringsduur.
Het UWV weigerde een WAO-uitkering omdat appellant niet verzekerd was op het moment van arbeidsongeschiktheid in 2003, en ook op grond van Verordening 1408/71 geen recht had op een uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn arbeidsongeschiktheid al in 1994 was ingetreden, onderbouwd met medische verklaringen.
De Raad oordeelde dat appellant op 28 november 1994 medisch geschikt was voor lichte tot middelzware arbeid en dat er geen sprake was van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% volgens de WAO. Omdat appellant toen geen verlies aan verdiencapaciteit had, kon hij geen aanspraak maken op een Nederlandse WAO-uitkering. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant niet arbeidsongeschikt was voor 28 november 1994.