ECLI:NL:CRVB:2012:BY5745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht door gebrek aan bijzondere omstandigheden
In deze zaak heeft appellante, A. te B., hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2011, waarin haar beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht ongegrond werd verklaard. De zaak betreft een aanvraag voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), die op 8 december 2009 door appellante werd ingediend, met het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2009. Het college heeft echter gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.
De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 11 december 2012 bevestigd dat het college terecht geen bijstand met terugwerkende kracht heeft verleend. De Raad heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. In dit geval heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden in de rapportage van psychiater A.B. van Nijen om aan te nemen dat dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig waren. De psychiater had aangegeven dat het bewustzijn van appellante helder was en dat zij haar administratie zelfstandig kon bijhouden.
De Raad heeft geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen, en is er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van griffier A.C. Oomkens, en is openbaar uitgesproken op 11 december 2012.