ECLI:NL:CRVB:2012:BY5778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-490 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant vorderde een WIA-uitkering, welke door het UWV per 2 januari 2006 werd ontzegd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en eerdere uitspraak van de rechtbank Groningen die dit oordeel bevestigde, stelde appellant in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid sinds 2007 was toegenomen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeeld en oordeelde dat het UWV voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant. Ingediende medische rapporten, waaronder een brief van een klinisch psycholoog, boden geen nieuwe of afwijkende informatie over de arbeidsmogelijkheden sinds 2 januari 2006.

Appellant voerde aan dat het UWV onterecht geen aanvullende medische gegevens had opgevraagd, maar de Raad stelde dat een verzekeringsarts mag vertrouwen op zijn eigen oordeel tenzij er sprake is van lopende of geplande behandeling of een afwijkend standpunt van de behandelend sector, wat hier niet het geval was.

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/490 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 december 2010, 10/471 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 7 december 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellant is niet verschenen en voor het Uwv is verschenen mr. F.H.M.H. Schwarts.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv appellant per 2 januari 2006 het recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontzegd, onder de overweging dat appellant per laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad heeft in de uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI4086, de juistheid van dit besluit onderschreven.
1.2. Bij schrijven van 23 juli 2009 heeft appellant gesteld dat hij sedert een tijdstip in 2007 aanspraak heeft op een WIA-uitkering. Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft het Uwv appellant bepaald dat er na 2 januari 2006 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, dat appellant onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat appellant daarom niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
1.3. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat niet langer van de op 2 januari 2006 vastgestelde beperkingen van appellant kan worden uitgegaan. Ook uit het door appellant overgelegde rapport van de medisch adviseur D.J. Schakel van 13 oktober 2010 is de rechtbank niet gebleken dat de beperkingen van appellant ten opzichte van de vaststelling van zijn beperkingen op 2 januari 2006 zijn toegenomen. De rechtbank is uit dat rapport niet anders gebleken dan dat de medisch adviseur zijn eerder ingenomen standpunt betreffende de PTSS herhaalt, terwijl inmiddels tot aan de Raad is geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellant lijdt aan PTSS.
3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en daartoe aangevoerd dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet de bij het keuringsrapport behorende medische gegevens heeft verstrekt. Appellant is van mening dat het op de weg van de verzekeringsarts van het Uwv ligt om deze gegevens op te vragen en bij de beoordeling te betrekken. Tevens heeft appellant gesteld dat het feit dat hij niet onder behandeling geen argument kan opleveren om te stellen dat er geen sprake is van PTSS.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.1. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze is verricht. De rechtbank heeft terecht uit de voorliggende medische gegevens de conclusie getrokken dat het Uwv bij de beoordeling in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellant geldende beperkingen. Ook de in hoger beroep door appellant ingebrachte informatie geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de psychische beperkingen van appellant na 2 januari 2006 heeft onderschat. Aan de in hoger beroep ingebrachte brief van 22 augustus 2006 van W.G. Louwes, klinisch psycholoog, kan niet die betekenis worden toegekend die appellant hieraan toegekend wil zien omdat deze brief geen over de arbeidsmogelijkheden van appellant sinds 2 januari 2006 afwijkende informatie is bevat. Zoals de bezwaarverzekeringsarts beargumenteerd te kennen heeft gegeven blijkt uit dit schrijven niet dat er sprake is van het bestaan van PTSS dan wel van een relevant te achten toeneming van medische beperkingen.
4.2. De stelling van appellant dat ten onrechte geen rapporten behorend bij het keuringsrapport zijn opgevraagd faalt. Een (bezwaar) verzekeringsarts mag in beginsel mag varen op zijn eigen medisch oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de (bezwaar)verzekeringsarts geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie op te vragen
5. Uit overweging 4.1. en 4.2. volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) K. E. Haan
QH