ECLI:NL:CRVB:2012:BY6034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4764 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Wsf 2000Art. 6 Besluit studiefinanciering 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 12 Besluit studiefinanciering 2000Art. 1:395a BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende beurs zonder rekening te houden met inkomen vader

Appellante verzocht de Minister van Onderwijs om het inkomen van haar vader niet mee te laten wegen bij de vaststelling van haar aanvullende beurs op grond van artikel 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000. De Minister wees dit verzoek af omdat appellante geen alimentatievonnis of notariële akte kon overleggen waaruit de hoogte van de alimentatie blijkt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij geen stappen had ondernomen om een alimentatievonnis te verkrijgen. Ook waren er geen zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden.

In hoger beroep onderschreef de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat het op de studerende ligt om zich tot de burgerlijke rechter te wenden voor vaststelling van de onderhoudsverplichting. Appellante had geen gegronde redenen aangevoerd waarom dit niet van haar kon worden verlangd. Ook reageerde zij niet op verzoeken van de Minister om bewijs van bijzondere omstandigheden te leveren.

De Raad concludeerde dat de Minister terecht het inkomen van de vader heeft betrokken bij de vaststelling van de aanvullende beurs en dat er geen grond is om hiervan af te wijken. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om het inkomen van de vader buiten beschouwing te laten bij de aanvullende beurs wordt afgewezen.

Uitspraak

11/4764 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2011, 10/1734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 30 november 2012
Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen
Griffier: R.L. Rijnen
Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. J.W. Koekebakker, advocaat, en drs. P.M.S. Slagter als vertegenwoordiger van de Minister.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1. Bij besluit van 19 april 2010 heeft de minister appellantes verzoek afgewezen om - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) - het inkomen van haar vader bij de vaststelling van de door haar aangevraagde aanvullende beurs buiten beschouwing te laten.
1.2. De Minister heeft het door appellante tegen evengenoemd besluit gemaakte bezwaar bij (bestreden) besluit van 22 september 2010 ongegrond verklaard. De Minister heeft daarin erkend dat appellante voldoet aan één van de in artikel 6 van Pro het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) neergelegde vereisten voor toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000. Vervolgens is de vraag of appellante behoeftig is, in welk verband de Minister heeft gewezen op artikel 12 van Pro het Bsf 2000. Ter bepaling daarvan is relevant de hoogte van de op de ouder rustende alimentatieverplichting. Nu appellante geen alimentatievonnis dan wel een notariële akte heeft overgelegd waaruit de hoogte van de alimentatie blijkt, heeft de Minister aangenomen dat appellante niet behoeftig is en heeft hij derhalve het inkomen van haar vader niet buiten beschouwing gelaten.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad kon de Minister naar het oordeel van de rechtbank besluiten dat de door appellante aangevraagde aanvullende beurs afhankelijk blijft van het inkomen van haar vader, omdat zij geen stappen heeft ondernomen om een alimentatievonnis te verkrijgen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden dat de Minister met toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000 gehouden was de aanvullende beurs zonder alimentatievonnis vast te stellen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Minister op goede gronden heeft afgezien van toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000. De Raad onderschrijft de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven onder 2. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2. In zijn uitspraak van 21 augustus 2009, LJN BJ6427 heeft de Raad uiteengezet dat uit de systematiek van de wettelijke regeling, met name artikel 12, tweede lid, van het Bsf 2000 en de toelichting op het Bsf 2000, volgt dat het op de weg ligt van een studerende van 18 jaar of ouder die verzoekt om zijn aanvullende beurs onafhankelijk van het inkomen van zijn vader vast te stellen, om zich tot de burgerlijke rechter te wenden om de op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek op de ouder berustende onderhoudsverplichting te laten vaststellen. Appellante heeft niet betwist dat zij zich niet met een daartoe strekkend verzoek tot de burgerlijke rechter heeft gewend. Niet is gebleken van gegronde redenen waarom appellante dit niet kan worden tegengeworpen. In dit verband wordt gewezen op de brieven van de Minister van 3 augustus, 1 september en 8 september 2010 waarbij appellante is verzocht om gegevens te overleggen op grond waarvan blijkt dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het vragen van alimentatie door appellante niet gevergd kon worden. Op deze brieven heeft appellante niet met overlegging van de gevraagde gegevens gereageerd. In appellantes geval is dan ook niet gebleken van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden dat de Minister met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule de aanvullende beurs zonder alimentatievonnis of notariële akte had moeten vaststellen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.L. Rijnen (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen