ECLI:NL:CRVB:2012:BY6182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering zonder nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant heeft sinds 1993 AAW- en WAO-uitkeringen ontvangen, waarbij in 1995 het UWV de AAW-uitkering beëindigde en de WAO-uitkering herzag naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat deze beslissing onterecht was en dat hij pensioenopbouw misliep, met verwijzing naar toezeggingen van een verzekeringsarts en adviezen van een arbeidsdeskundige.
Het UWV weigerde herziening omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.
De Raad merkt op dat er geen bewijs is voor toezeggingen of adviezen die als nieuw feit kunnen gelden en wijst op de beroepsclausule in het oorspronkelijke besluit, die appellant duidelijk maakte dat beroep mogelijk was. Het hoger beroep faalt en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.