ECLI:NL:CRVB:2012:BY6253

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5880 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:26 AwbArt. 8:73 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering Wajong-uitkering en heropening onderzoek redelijke termijn

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen Wajong-uitkering toe te kennen vanaf 9 juni 2005 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, evenals het daarop volgende beroep bij de rechtbank. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

Na uitgebreid onderzoek, waaronder een deskundigenrapport van een psychiater en nadere reacties van partijen, nam het UWV op 15 februari 2012 een nieuw besluit waarin appellant alsnog een Wajong-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant stemde hiermee in, maar handhaafde zijn verzoek om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad constateert dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd en vernietigt het eerdere besluit en de aangevallen uitspraak. Gezien de lange duur van de procedure, ruim vijf jaar en acht maanden, acht de Raad het aannemelijk dat de redelijke termijn is overschreden in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase. Daarom wordt het onderzoek naar de schadevergoeding heropend en wordt tevens de Staat der Nederlanden als partij betrokken.

Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep, en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen en uitgesproken op 14 december 2012.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt heropend.

Uitspraak

09/5880 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september 2009, 08/1029 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere medische stukken ingediend. Hierop heeft het Uwv gereageerd met een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 16 september 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ooms.
Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. De Raad heeft prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.
De deskundige heeft bij rapport van 5 mei 2011 verslag uitgebracht aan de Raad. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport naar voren gebracht.
De deskundige heeft schriftelijk gereageerd op de zienswijzen van partijen, naar aanleiding waarvan partijen hun nadere reactie aan de Raad hebben doen toekomen.
In reactie op een vraagstelling van de Raad van 13 december 2011 heeft het Uwv op 15 februari 2012 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Partijen hebben hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 2 maart 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op en na 9 juni 2005 minder dan 25% bedraagt. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard.
1.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant heeft overschat. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt.
3.1. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 februari 2012 is aan appellant alsnog met ingang van 9 juni 2005 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3.2. Bij brieven van 27 februari 2012 en 8 augustus 2012 is namens appellant op het nieuwe besluit gereageerd. In de laatste brief is aangegeven dat appellant, gelet op de toelichting die het Uwv heeft gegeven in de brief van 28 juni 2012, volledig kan instemmen met de inhoud van het besluit van 15 februari 2012. Wel heeft appellant verzocht om vergoeding van de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Tevens heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gehandhaafd.
3.3. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase niet is overschreden.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Met het (nieuwe) besluit van 15 februari 2012 is geheel aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen. Om deze reden wordt het beroep van appellant gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 15 februari 2012.
4.3. Vanwege het verzoek om schadevergoeding van appellant is zijn belang bij de beoordeling in hoger beroep niet komen te vervallen.
4.4. Met het besluit van 15 februari 2012 is vast komen te staan dat het Uwv ten onrechte heeft geweigerd appellant met ingang van 9 juni 2005 een Wajong-uitkering toe te kennen. Dit betekent dat het besluit van 8 februari 2008 dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak.
5.1. Met betrekking tot het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009, van belang.
5.2. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 12 april 2007 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf jaar en acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling in bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 april 2007 tot het besluit van 8 februari 2008 bijna tien maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 20 maart 2008 tot de uitspraak op 14 september 2009 bijna anderhalf jaar geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst per fax van het hoger beroepschrift van appellant door de Raad op 28 oktober 2009 tot de datum van deze uitspraak bijna drie jaar en twee maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.
5.3. Aan overweging 5.2 verbindt de Raad de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb, moet worden beslist over appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van Pro de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 1.748,-- in hoger beroep, in totaal € 2.392,--. Nu in beroep een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is afgegeven, dient het bedrag van € 644,-- te worden betaald aan de griffier van de Raad.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,--;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.
- bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 12/6480 BESLU en 12/6481 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) D.E.P.M. Bary
JvC