Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6375

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1893 WIA + 11/1977 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Artikel 43a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over WIA-uitkering en wijst zaak terug naar rechtbank

Appellante had beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij per 27 augustus 2009 geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank had het beroep van appellante deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna het UWV een nieuw besluit moest nemen.

Zowel appellante als het UWV gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel had gegeven over de gronden van het beroep en het verweer, en dat het primaire besluit door de vernietiging weer van kracht werd, waardoor appellante onbedoeld in een slechtere positie kwam te verkeren. Dit is in strijd met het verbod van reformatio in peius zoals neergelegd in artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom vernietigde de Raad het gedeelte van de uitspraak dat het beroep gegrond verklaarde en wees de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Beide partijen wensten geen finale beslissing door de Raad om geen instantie te verliezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

11/1893 WIA, 11/1977 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2011, 10/848 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Beekelaar en het Uwv door mr. J. Koning.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, gegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 13 januari 2010, voor zover dit besluit ziet op de vaststelling dat per 27 augustus 2009 voor appellante een recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, dat besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt ter zake van het voor appellante ontstaan van een recht op een uitkering op grond van de Wet WIA.
1.2. De rechtbank heeft op grond van een in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel ter zake van de procedure rondom de vaststelling van het recht op uitkering ingevolge artikel 43a van de WAO, met welk oordeel partijen het eens zijn, geconcludeerd dat ten tijde van de uitspraak de inhoudelijke juistheid van het in 1.1 weergegeven gedeelte van het besluit niet kan worden beoordeeld.
2. Beide partijen hebben zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank op basis van de gronden van beroep en het gevoerde verweer niet op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot een vernietiging als vermeld onder 1.1 heeft kunnen komen.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Als gevolg van de aangevallen uitspraak herleeft het primaire besluit, waarbij was vastgesteld dat voor appellante per 27 augustus 2009 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering en ontvalt de grondslag aan de door het Uwv aan appellante gedane betalingen.Appellante heeft dit met haar beroep tegen het besluit van 13 januari 2010 niet beoogd. Nu de aangevallen uitspraak evenmin het oordeel bevat dat het door het Uwv te nemen besluit behelst dat aan appellante in ieder geval een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid dient te worden verstrekt, welke uitkering niet ongunstiger mag zijn dan de uitkering bedoeld in 1.1, is appellante als gevolg van haar beroep ten onrechte in een slechtere positie geraakt dan waarin zij voor haar beroep verkeerde. Zulks strijdt met het uit artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende verbod van reformatio in peius.
3.3. Reeds hierom slagen beide hoger beroepen en dient de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het besluit dat voor appellante per 27 augustus 2009 een recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA als vermeld in 1.1 te worden vernietigd.
3.4. Beide partijen hebben de Raad verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, nu de rechtbank geen inhoudelijk oordeel over de gronden van beroep van appellante en het door het Uwv gevoerde verweer heeft gegeven.
Beide partijen hebben naar voren gebracht geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid het geschil finaal door de Raad te laten beslechten, omdat zij geen instantie wensen te verliezen.
3.5. Beide partijen zijn voorts van opvatting dat als gevolg van een nader besluit van het Uwv en de omstandigheid dat appellante tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend niets aan een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het gedeelte van het besluit van 13 januari 2010, als weergegeven onder 1.1, in de weg staat. De Raad deelt - zonder zich uit te spreken over het in de aangevallen uitspraak ter zake gegeven oordeel - deze opvatting.
3.6. De Raad ziet geen grond het verzoek van partijen niet in te willigen en wijst de zaak terug naar de rechtbank.
3.7. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellante gegrond is verklaard, het besluit van 13 januari 2010 is vernietigd en is bepaald dat een nieuw besluit op bezwaar dient te worden genomen;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. Baas