ECLI:NL:CRVB:2012:BY6390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.J. Govaers
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding niet aannemelijk vanaf 1998
Appellante ontving sinds 1977 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering met ingang van 1 juni 1998, omdat zij meende dat appellante vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerde met een derde, [C.], en vorderde de onterecht ontvangen uitkeringen terug.
Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Roermond die het besluit van de Svb bevestigde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 juli 1998. De Raad oordeelde dat de stukken onvoldoende bewijs boden dat [C.] vanaf die datum zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. Pas vanaf 12 augustus 2008 was sprake van gezamenlijke huishouding, toen [C.] daadwerkelijk in de woning verbleef en zorg verleende.
De Raad vernietigde daarom het besluit van de Svb voor de periode van 1 juli 1998 tot 12 augustus 2008 en bepaalde dat het recht op nabestaandenuitkering pas eindigde per 1 september 2008. De Svb moet een nieuw besluit nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging en terugvordering van de nabestaandenuitkering vanaf 1 juli 1998 is vernietigd; de uitkering eindigde rechtsgeldig per 1 september 2008.