ECLI:NL:CRVB:2012:BY6460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling arbeidsgeschiktheid
Appellant ontving sinds 14 december 2009 een Ziektewet-uitkering wegens rug-, oog- en psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 23 augustus 2010 werd appellant per 30 augustus 2010 geschikt geacht voor arbeid, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer psychische beperkingen aan en wees op een WSW-indicatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de medische rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts volgde. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen en dat de functies uit de WIA-beoordeling ongeschikt waren vanwege samenwerkingsproblemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat “zijn arbeid” ten minste één van de in de WIA-beoordeling genoemde functies betreft en dat het oordeel van de rechtbank dat appellant geschikt was voor arbeid op 30 augustus 2010 gevolgd kan worden. Het onderzoek was zorgvuldig en de medische gegevens ondersteunden het besluit. De WSW-indicatie werd niet als doorslaggevend beschouwd, mede omdat deze na de datum van beëindiging dateert en niet met objectieve medische gegevens werd onderbouwd.
De psychologische gegevens van na de datum van beëindiging toonden een ernstige depressie, maar konden niet leiden tot de conclusie dat appellant op 30 augustus 2010 niet in staat was tot arbeid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Almelo bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht per 30 augustus 2010 beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor arbeid.