ECLI:NL:CRVB:2012:BY6536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief over verblijf buitenland en bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en meldde het college dat hij van 1 juli tot en met 25 augustus 2010 naar het buitenland zou gaan. Het college stuurde hem op 13 juli 2010 een brief waarin werd meegedeeld dat hij niet langer dan vier weken met behoud van uitkering in het buitenland mocht verblijven, wat betekent tot en met 28 juli 2010.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk bij besluit van 11 augustus 2010. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief geen zelfstandig besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onredelijk was om de bijstand te stoppen bij verblijf langer dan vier weken, mede gezien zijn leeftijd, vrijstelling van sollicitatieplicht en gezinssituatie. De Raad oordeelde echter dat de brief niet zelfstandig op rechtsgevolg is gericht en dat eventuele rechtsgevolgen pas kunnen intreden na een nadere afweging door het bestuursorgaan, bijvoorbeeld na vaststelling van het daadwerkelijke verblijf en eventuele overschrijding van de termijn.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.