ECLI:NL:CRVB:2012:BY6592

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-3254 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep WWB

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een zaak betreffende de Wet werk en bijstand (WWB). De Raad heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht. Appellante heeft verzet aangetekend tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting heeft appellante toegelicht dat zij psychische problemen had en in oktober 2012 met spoed in het ziekenhuis is opgenomen. Haar vader verklaarde dat het college bijzondere bijstand had verleend voor het griffierecht en dat het bedrag tijdig aan appellante was betaald, maar appellante was vergeten het over te maken aan de Raad. Tevens gaf hij aan dat de griffie hem telefonisch niet had geïnformeerd over de niet-betaling.

De Raad oordeelt dat de ziekenhuisopname na de termijn voor betaling heeft plaatsgevonden en dat het telefonisch contact ook na het verstrijken van de termijn was. Het belang van appellante bij inhoudelijke behandeling speelt geen rol bij ontvankelijkheid. De Raad is wettelijk verplicht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren bij niet-verontschuldigbare overschrijding van de betalingstermijn. Het verzet wordt ongegrond verklaard en het te laat betaalde griffierecht wordt terugbetaald.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

12/3254 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2012, 11/9048 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak 17 december 2012.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 16 oktober 2012 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2012 heeft appellante verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 13 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar vader [naam vader]. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 16 oktober 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 17 juli 2012 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht op 27 augustus 2012, en daarmee na afloop van de gestelde termijn, is bijgeschreven op de rekening van de Raad.
In het verzetschrift heeft appellante naar voren gebracht dat zij een alleenstaande bijstandsmoeder is en dat zij heeft besloten per 1 augustus 2012 niet meer afhankelijk te willen zijn van een bijstandsuitkering, ook al liggen haar inkomsten onder de voor haar geldende bijstandsnorm. Appellante voelde een zo grote druk van medewerkers van de sociale dienst, dat zij het psychisch niet meer aankon. In oktober 2012 is zij met psychische klachten met spoed opgenomen in het ziekenhuis, waar zij enkele weken heeft verbleven.
Ter zitting heeft de vader van appellante verklaard dat het college bijzondere bijstand voor het verschuldigde griffierecht heeft verleend en dat dit bedrag tijdig aan appellante is betaald. Appellante is echter vergeten het bedrag over te maken naar de rekening van de Raad. Hij heeft verder verklaard dat de griffie van de Raad hem in een telefonisch onderhoud niet heeft medegedeeld dat het griffierecht nog niet was betaald. Tot slot heeft hij gewezen op het grote financiële belang (ongeveer € 3000,-) van zijn dochter bij deze zaak.
De door (de vader van) appellante naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het verzuim niet aan appellante kan worden tegengeworpen. De ziekenhuisopname van appellante heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de termijn voor de betaling van het griffierecht. Op het moment dat de vader van appellante telefonisch contact had met de griffie van de Raad, was de termijn eveneens al verstreken. Het belang van appellante bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep mag bij de beoordeling van de ontvankelijkheid geen rol spelen. Indien sprake is van niet-verontschuldigbare overschrijding van de termijn voor de betaling van het griffierecht, is de Raad wettelijk verplicht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Het verzet moet ongegrond worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 115,-) zal door de griffier van de Raad aan appellante worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2012.