ECLI:NL:CRVB:2012:BY6641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering onterecht wegens ongeschiktheid voor arbeid boven schouderhoogte
Appellant, voormalig agrarisch medewerker, meldde zich ziek met schouderklachten en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering op grond van een verzekeringsarts die oordeelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies, waaronder wikkelaar en productiemedewerker, waarbij werkzaamheden boven schouderhoogte voorkomen.
Appellant voerde aan dat hij door een dubbelzijdige frozen shoulder niet in staat is om boven schouderhoogte te reiken, hetgeen werd ondersteund door een orthopedisch chirurg. De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de actieve bewegingsbeperking, omdat de verzekeringsarts alleen passieve anteflexie had gemeten.
De Raad concludeerde dat appellant niet in staat is om boven schouderhoogte actief te zijn en dat arbeid waarbij dit vereist is, niet geschikt is voor hem. Het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering ontbeerde een deugdelijke motivering en werd vernietigd. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is ten onrechte beëindigd en het besluit wordt herroepen.