ECLI:NL:CRVB:2016:2692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant is sinds 1998 arbeidsongeschikt vanwege nek- en schouderklachten en ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering. Na een tijdelijke beëindiging in 2006 werd de uitkering in 2007 opnieuw toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. In 2013 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid per 13 april 2012. Na medisch en arbeidskundig onderzoek in 2014 concludeerde het UWV dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen onvoldoende waren vastgelegd. Ook stelde hij dat bepaalde functies ongeschikt waren en dat de functieomschrijving van houtwarensamensteller onjuist was toegepast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren weergegeven.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is verricht en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen adequaat weergeeft. De arbeidskundige beoordeling is eveneens toereikend gemotiveerd, waarbij rekening is gehouden met de meest recente functieomschrijvingen. Er is geen aanleiding om het bezwaar van appellant te honoreren.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering ongewijzigd te laten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering ongewijzigd te laten.