ECLI:NL:CRVB:2012:BY7609

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2615 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag draagkrachtmeting wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellant heeft in 2005 een aanvraag ingediend voor een draagkrachtmeting om de maandelijkse afbetaling van zijn studieschuld te verlagen. Omdat de benodigde gegevens destijds niet werden ingediend, werd de aanvraag niet afgerond. In 2010 verzocht appellant opnieuw om behandeling van zijn aanvraag. De Minister stelde appellant bij brief van 18 november 2010 in de gelegenheid om binnen vier weken alsnog de benodigde gegevens over de periode 2003 tot en met 2005 aan te leveren, met de waarschuwing dat bij uitblijven van reactie het verzoek niet verder in behandeling zou worden genomen.

Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd, noch om uitstel verzocht, en leverde de gegevens pas op 24 december 2010 aan. De Minister handhaafde daarop het besluit van 3 januari 2011 om de aanvraag niet verder in behandeling te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Minister niet in strijd met artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht had gehandeld.

In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Minister heeft de termijn van vier weken in redelijkheid gesteld en voldoende gelegenheid geboden om de aanvraag aan te vullen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag om een draagkrachtmeting over 2005 wordt niet verder in behandeling genomen wegens het niet tijdig aanleveren van de gevraagde gegevens.

Uitspraak

12/2615 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 maart 2012, 11/802 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 14 december 2012
Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen
Griffier: K.E. Haan
Ter zitting zijn verschenen: appellant en mr. G.J.M. Naber, vertegenwoordiger van de Minister.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 3 januari 2011 gehandhaafd waarin de aanvraag van appellant om een draagkrachtmeting over het jaar 2005 niet verder in behandeling is genomen omdat de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat de Minister niet in strijd met artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. Dat appellant op 24 december 2010 alsnog heeft voldaan aan het verzoek in de brief van de Minister van
18 november 2010, doet daar niet aan af.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden herhaald onder verwijzing naar zijn bezwaarschrift van 8 april 2011.
4. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Minister op zorgvuldige wijze en goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5 van Pro de Awb. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen zijn juist. De aanvraag van appellant teneinde de maandelijkse afbetaling van de studieschuld in 2005 te verlagen dateert van 31 januari 2005. Omdat destijds in 2005 de benodigde gegevens niet zijn ingediend en de aanvraag door de Minister procedureel niet is afgerond, heeft de Minister - na een verzoek van appellant daartoe van 8 november 2010 - gelet op deze bijzondere situatie appellant bij brief van 18 november 2010 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog de benodigde gegevens over de periode 2003 tot en met 2005 in te dienen. In deze brief heeft de Minister appellant erop gewezen dat indien hij niet binnen vier weken reageert, het verzoek van appellant niet verder in behandeling wordt genomen. De Minister kon in redelijkheid deze termijn stellen. Appellant heeft noch binnen vier weken verzocht om uitstel noch heeft hij binnen vier weken de benodigde gegevens ingediend. Daarnaast is niet gebleken dat appellant de benodigde gegevens niet binnen vier weken na de brief van 18 november 2010 had kunnen indienen. De door de Minister aan appellant geboden termijn van vier weken gaf aan appellant voldoende gelegenheid om zijn aanvraag uit 2005 aan te vullen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) K.E. Haan (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep