ECLI:NL:CRVB:2013:1002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met vader van kinderen
Appellante ontving vanaf 1 januari 2006 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een fraudemelding in augustus 2009 startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar mogelijke samenwoning met de vader van haar kinderen. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, observaties, een huisbezoek en het horen van buurtbewoners.
Op basis van deze bevindingen concludeerde het college dat de vader zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Daarom werd de bijstand met ingang van 1 september 2010 ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep ontkende appellante samen te wonen met de vader, maar de Raad stelde vast dat de vader feitelijk in haar woning verbleef, onder meer door aangetroffen administratie, herenkleding op haar slaapkamer en verklaringen van buurtbewoners. De Raad oordeelde dat er voldoende grondslag was voor het standpunt van het college en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking van de bijstand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante en de vader een gezamenlijke huishouding voeren.