ECLI:NL:CRVB:2013:1025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.H. Bel
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds augustus 2008 en stond ingeschreven op een adres te Purmerend. Na een anonieme fraudemelding startte het college een onderzoek naar mogelijke samenwoning met H. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, raadpleging van gemeentelijke en andere registers, waarnemingen en stelselmatige observaties, en het horen van getuigen en betrokkenen.
Op basis van deze bevindingen trok het college de bijstand in per 20 augustus 2008 en vorderde de kosten terug tot een bedrag van €20.042,03. Na bezwaar stelde het college de intrekking terug tot 6 juli 2009 en beperkte de terugvordering tot €5.392,09. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of er voldoende feitelijke grondslag was voor de conclusie dat appellante en H. in de periode van 6 juli 2009 tot 17 november 2009 een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante, H. en omwonenden, samen met de waarnemingen en observaties, voldoende waren om het hoofdverblijf op het adres van appellante aan te nemen. Argumenten van appellante over het gebruik van een ander postadres en het ontbreken van onderzoek op het adres van de moeder van H. werden verworpen.
De Raad bevestigde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de bedoelde periode, waardoor de intrekking en terugvordering van bijstand terecht waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante en H. een gezamenlijke huishouding voerden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht zijn.